Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
08-3055 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De aan schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht niet ongeschikt voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3055 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 april 2008, 07/249

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadien een rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg van 1 augustus 2008 overgelegd.

Ter beantwoording van vragen van de Raad heeft het Uwv op 30 juni 2009 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen van 26 juni 2009 overgelegd. Voorts heeft het Uwv desgevraagd ontbrekende bladzijden van gedingstuk B71 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als pluimveeslachter toen hij op 25 januari 1988 uitviel met psychische klachten. In aansluiting op het einde van de wettelijke wachttijd is aan appellant onder andere een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Deze klasse werd met ingang van 8 augustus 2000 vastgesteld door de rechtsvoorganger van het Uwv, die op 13 april 2001 het betreffende herzieningsbesluit van 13 juni 2000 handhaafde. Het beroep van appellant tegen eerst genoemd besluit werd ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank van 8 november 2002, 01/1906, bevestigd door de Raad op 22 oktober 2004 (LJN AR5511).

2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 9 juni 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M.F.L. Smol. Zij nam volgens haar rapport van dezelfde datum bij het onderzoek psyche geen afwijkingen waar ten aanzien van onder andere concentratie en stemming. Als diagnose stelde zij spanningsklachten en stoornis in agressieregulatie. In een nader rapport van 15 juni 2006 gaf Smol aan dat de belastbaarheid ten opzichte van 6 jaar geleden - naar de Raad aanneemt het belastbaarheidspatroon van 11 mei 2000, dat ten grondslag lag aan het in overweging 1 vermelde herzieningsbesluit - ongewijzigd was en dat appellant met name beperkt was ten aanzien van conflicthantering en daarom aangewezen was op een solitaire functie. Smol legde de voor appellant geldende beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 34,6%, waarna het Uwv bij besluit van 19 juni 2006 aangaf dat appellant onveranderd 25 tot 35% arbeidsongeschikt was.

3.1. In de bezwaarprocedure legde de gemachtigde van appellant bij het aanvullend bezwaarschrift informatie van de huisarts van 14 augustus 2006 over, waarbij gevoegd was een brief van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 8 augustus 2006 en een aan Smol uitgebrachte expertise van psychiater dr. A.P.K. van Eekeren van 11 april 2000.

3.2. De in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Momberg besprak in een rapport van 30 november 2006 de beschikbare medische informatie, waaronder ook een brief van de behandelend psychiater D.P.J. Gerling van 7 maart 2001 die aangaf dat de in 3.1 vermelde expertise een adequate weergave van de situatie van appellant gaf. Volgens Van Eekeren waren er bij zijn onderzoek geen manifeste ziekteverschijnselen in cognitieve zin en kon geen stemmingspathologie in vitale zin worden vastgesteld. Wel openbaarden zich nerveuze klachten als diffuse spanningsverschijnselen en slaapstoornissen en was er sprake van een gebrekkige impulsregulatie mogelijk samenhangend met persoonlijkheidstekorten. Momberg vermeldde dat op basis van deze expertise het in overweging 2 vermelde belastbaarheidspatroon van 11 mei 2000 was opgesteld. Voorts vermeldde Momberg dat de in overweging 3.1 vermelde brief van de verpleegkundige wees op een al tijden ongewijzigde situatie, zoals ook door Smol werd gesteld. Ten slotte vermeldde Momberg dat zij geen beperkingen kon aangeven in verband met het gegeven dat appellant in 1995 had gemeld een tranend oog te hebben en dat in de medische gegevens niet is vermeld dat appellant dubbel ziet. Volgens Momberg diende de FML te worden gehandhaafd.

3.3. De bezwaararbeidsdeskundige A.C. Diergaarde gaf in een rapport van

27 december 2006 aan dat de functie keukenhulp (SBC 111331) diende te vervallen, zij lichtte de signaleringen in de overige functies inpakker (SBC 111190), productie medewerker metaal (SBC 111171) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC 111334) toe en berekende het verlies aan verdienvermogen op 37,72%.

3.4. Gelet op overweging 3.3 verklaarde het Uwv bij besluit van 3 januari 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juni 2006 gegrond en besliste het Uwv dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 juni 2006 werd gebaseerd op de klasse 35 tot 45%.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij wees, evenals Momberg, op de volgens de in overweging 3.1 vermelde verpleegkundige al jaren ongewijzigde situatie en op het feit dat door appellant geen medische gegevens zijn ingebracht die twijfels opriepen over het oordeel van Smol en Momberg. Voorts onderschreef de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5. In hoger beroep herhaalde appellant in essentie de eerder voorgedragen gronden die erop neerkomen dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Voorts meende appellant dat de geduide functies in verband met beperkingen inzake samenwerking, conflictbeheersing en zijn gezichtsvermogen ongeschikt zijn.

6.1.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad onderkent dat in het verleden ten aanzien van appellant andere psychiatrische diagnoses zijn gehanteerd dan door Smol. In dit verband wijst de Raad op het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Momberg, waarin zij - in lijn met haar rapport van 30 november 2006 - nogmaals de aandacht vestigt op de conclusies van het in overweging 3.2 weergegeven rapport van Van Eekeren, op de visie van psychiater Gerling op dit rapport en op de informatie van de meergenoemde verpleegkundige. Voorts wijst Momberg erop dat er ook volgens de informatie van de huisarts geen relevante veranderingen zijn. Wat betreft de oogklachten onderschrijft de Raad ook de visie van Momberg, waarbij zij aantekent dat ook in het belastbaarheidspatroon dat ten grondslag lag aan de in overweging 1 vermelde herziening van de WAO-uitkering met ingang van 8 augustus 2000 geen visusbeperkingen waren gesteld. Ten slotte ziet de Raad in het enkele feit dat appellant vanaf 2000 alleen tweemaal door Smol daadwerkelijk is onderzocht, te weten in het kader van de even vermelde herziening en van de thans aan de orde zijnde schatting, geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen van appellant op onzorgvuldige wijze zijn vastgesteld.

6.1.2. De Raad ziet, gelet op overweging 6.1, geen grond om overeenkomstig het in hoger beroep gedane verzoek van appellant een deskundige psychiater en oogarts te benoemen.

6.2.1. De Raad overweegt wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in de eerste plaats dat het hem, gelet op de uitvoerige beschouwing in het rapport van Buskermolen van 26 juni 2009 over de gang van zaken bij de functieduiding, aannemelijk voorkomt dat aan de onderhavige schatting, anders dan de verklaring van de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de rechtbank doet vermoeden, ook de functie productie medewerker metaal ten grondslag ligt en dat deze functie een genoegzaam aantal arbeidsplaatsen kent, te weten drie.

6.2.2. Voorts acht de Raad, in aanmerking genomen de toelichting in het rapport van Diergaarde van 27 december 2006 en mede gelet op het verhandelde ter zitting, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, waarin wel sprake is van samenwerking maar tevens van een afgebakende deeltaak, mede gelet op het feit dat in deze functies geen sprake is van een signalering ten aanzien van conflicthantering, medisch niet ongeschikt zijn voor appellant. De Raad tekent daarbij aan dat volgens Diergaarde de functie keukenhulp diende te vervallen omdat daarin naast een hoog handelingstempo sprake was van intensief samenwerken aan de portioneerband.

6.3. De overwegingen 6.1.1 tot en met 6.2.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR