Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
08-1905 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad is van oordeel dat, ook als in verband met de gevolgde opleiding van appellante zou moeten worden geoordeeld dat zij niet kan voldoen aan de in de functie van productiemedewerker industrie gestelde eis van een opleiding op VBO-niveau technische richting, ook al is geen sprake van een diploma-eis, er bij het vervallen van deze functie drie functies met een genoegzaam aantal arbeidsplaatsen overblijven zonder gevolgen voor de voor appellante vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1905 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 februari 2008, 07/982 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v., gevestigd te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft de gemachtigde van appellante op 21 december 2009 gereageerd. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer van 4 januari 2010 ingestuurd, waarop de gemachtigde op 11 januari 2010 heeft gereageerd. Ten slotte zond het Uwv daarop op

18 januari 2010 een reactie van Zwemer in.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010.

Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich met ingang van 31 mei 2000 ziek meldde met psychische klachten. Aan haar is met ingang van 23 mei 2001 een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Het Uwv heeft bij besluit van 15 april 2003 deze uitkering met ingang van 16 juni 2003 ingetrokken. Na een ziekmelding van appellante met ingang van 20 september 2005 wegens andermaal psychische klachten heeft het Uwv bij besluit van 12 september 2006 aan haar met ingang van 18 oktober 2005 wederom een volledige WAO-uitkering toegekend.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 28 juni 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M. Niemeijer. In een rapport van 7 juli 2006 beschreef Niemeijer de medische voorgeschiedenis en de door appellante ingezonden medische informatie vanaf oktober 2005 tot 26 april 2006. Volgens appellante bij het spreekuur betroffen haar klachten met name pijn aan de linkerhand en depressiviteit. Bij het lichamelijk onderzoek nam Niemeijer een normale beweeglijkheid van nek, rug (met pijnaangifte) en heupen alsmede enige zwelling aan de laterale dorsale zijde van de linkerhand in een gebied van enkele centimeters waar. Bij het onderzoek psyche werd een neutrale stemming vastgesteld en waren er geen aanwijzingen voor aandachts- of concentratiestoornissen. Omdat er binnen drie maanden na de uitval op 20 september 2005 een operatieve ingreep aan de linkerhand heeft plaatsgevonden, stelde Niemeijer, gelet ook op een herstelperiode van zes weken en op het verloop van de behandeling bij de psycholoog Niemeijer een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op, die zag op 1 februari 2006. Niemeijer achtte appellante beperkt voor zwaar fysiek (nek-, rug- , bekken- en linkerhand belastend) werk, dat overzichtelijk is zonder intensieve persoonlijke contacten. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij besluit van 13 september 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 februari 2006 in.

3. In de bezwaarperiode gaf bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer in een rapport van 12 maart 2007 aan dat er, gezien de goede beweeglijkheid van de nek, niet gesproken kon worden van een post-whiplashsyndroom en leidde hij uit de informatie van de behandelend chirurg van 24 januari 2006 af dat aan de linkerhand geen sprake meer was van posttraumaumatische dystrofie maar van een pijnsyndroom ter plaatse van het litteken. Verder kon Zwemer rusten overdag en fors gebruik van pijnstillers niet verklaren uit de medische feiten en volgde hij Niemeijer in diens kritiek op de conclusies van de huisarts en de behandelend psycho-therapeut inzake de mate van depressiviteit. Wel diende volgens Zwemer, gezien de invulinstructies, de FML te worden aangepast. Vervolgens berekende de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius in een rapport van 16 maart 2007 na een gewijzigde functieduiding het verlies aan verdienvermogen op 1,26%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 19 maart 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 september 2006 ongegrond.

4.1. In beroep legde de gemachtigde van appellante een expertise van de psychiater W.H.J. Mutsaers van 5 december 2007 over. Mutsaers meldde dat appellante bij zijn onderzoek een heel opgewekte indruk maakte, dat zij naar haar zeggen in maart 2007 overspannen raakte en dat er een eerdere fase van overspannenheid en depressiviteit was geweest in 1996/1997. Volgens Mutsaers was bij zijn onderzoek sprake van een helder bewustzijn zonder cognitieve functiestoornissen of verschijnselen die zouden kunnen wijzen op vermoeidheid dan wel problemen met concentratie en aandacht. Mutsaers meldde de conclusie van Niemeijer dat appellante geen depressieve indruk maakte, dat de GGZ-psychiater in april 2007 aangaf dat geen sprake was van een depressie maar vooral van problemen van sociale aard en dat volgens een rapport van een neuro-psychologisch onderzoek van 23 april 2007 sprake was van een neiging tot onderpresteren en zeker niet van cognitieve functiestoornissen. Mutsaers vermeldde als zijn indruk dat appellante somatiseerde, dat wil zeggen dat zij conflicten en problemen niet onder ogen kan zien maar in lichamelijke klachten uit. Hij vermeldde geen wezenlijke kritiek te hebben op de FML, zij het dat in verband met haar persoonlijkheidsstructuur dan wel -pathologie ook beperkingen zouden moeten gelden ten aanzien van het uiten van eigen gevoelens, conflicthantering en samenwerking.

4.2. Zwemer gaf in een reactie van 21 januari 2008 op het rapport van Mutsaers aan dat het onduidelijk bleef of volgens Mutsaers sprake was van een persoonlijkheidsstoornis en dat niet duidelijk is gemaakt op basis waarvan Mutsaers daartoe eventueel concludeerde.

4.3.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 19 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.3.2. De rechtbank onderschreef, mede gelet op de reactie van Zwemer op het rapport van Mutsaers, de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.3.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreef de rechtbank inzake de functie wikkelaar (SBC 267050) de motivering van Langius in diens in overweging 3 vermelde rapport dat appellante volgens de FML alleen voor langdurige repetitieve bewegingen beperkt was als er daarbij veel kracht moet worden gebruikt met de linker pink en dat van dit laatste in deze functie geen sprake is. Voorts leidde de rechtbank uit dit rapport en de notities functiebelasting af dat wat betreft hoofdbewegingen rekening is gehouden met zowel de frequentie als de eindstanden van die bewegingen. Verder achtte de rechtbank, gezien het opleidingsniveau van appellante de functie productiemedewerker industrie (SBC 111180), waarvoor geen diploma-eis gold, niet ongeschikt voor appellante.

4.3.4. De rechtbank zag in het feit dat appellante tot 6 februari 2006 ziekengeld heeft ontvangen geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden, nu bij een beoordeling op grond van de Ziektewet en de WAO verschillende criteria gelden. Zij zag die aanleiding evenmin in het feit dat appellante eerst bij het bestreden besluit is geïnformeerd over de aan de schatting per 1 februari 2006 ten grondslag gelegde functies. Volgens vaste jurisprudentie is immers, aldus de rechtbank, deze handelwijze aanvaard, nu het zoals in dit geval bij de besluitvorming op 12 september 2006 ging om toekenning en intrekking van een WAO-uitkering over een afgesloten periode in het verleden.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de rechtbank een onderzoek door een deskundige had moeten laten instellen en dat bij appellante de diagnose whiplash is gesteld. Wat betreft de arbeidskundige gronden tegen de geduide functies verwees de gemachtigde naar het door hem gestelde ter zitting van de rechtbank op 4 februari 2008.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij wijst erop dat van de zijde van appellante geen reactie van Mutsaers is ingebracht op het vraagpunt van Zwemer bij de visie van Mutsaers inzake de beperkingen in rubriek 2 van de FML. Wat betreft het door de gemachtigde overgelegde “Verzekeringsgeneeskundige protocol Whiplash associated disorder I/II” merkt de Raad in de eerste plaats op dat dit protocol, zoals ook Zwemer op 15 januari 2010 opmerkte, ten tijde van de datum in geding nog niet was ingevoerd. Nog afgezien hiervan wijst de Raad op hetgeen Zwemer, zoals aangehaald in overweging 3, ter zake van het bestaan van een post whiplashsyndroom concludeerde en stelt de Raad vast dat ook Mutsaers niet de diagnose (post)whiplash(syndroom) stelde en in elk geval aangaf dat geen sprake was van cognitieve functiestoornissen bij appellante. Het feit dat in het verleden, bijvoorbeeld bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 10 juli 2001, in verband met de auto-ongevallen van appellante in 1994 en april 2001 wel werd gesproken van whiplashletsel, leidt niet tot een ander oordeel over de even vermelde conclusies en bevindingen. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

6.2. De Raad onderschrijft wat betreft de arbeidskundige grondslag het in overweging 4.3.3 onderscheidenlijk 4.3.4 weergegeven oordeel van de rechtbank over de functie wikkelaar respectievelijk over de bij het bestreden besluit aangehouden datum in geding. Wat betreft dit laatste wijst de Raad ook nog op de in overweging 2 weergegeven afweging van Niemeijer voor de keuze van deze datum. De Raad is verder van oordeel dat, ook als in verband met de gevolgde opleiding van appellante zou moeten worden geoordeeld dat zij niet kan voldoen aan de in de functie van productiemedewerker industrie gestelde eis van een opleiding op VBO-niveau technische richting, ook al is geen sprake van een diploma-eis, er bij het vervallen van deze functie drie functies met een genoegzaam aantal arbeidsplaatsen overblijven zonder gevolgen voor de voor appellante vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

6.3. Uit de overwegingen 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR