Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
09-12 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Juistheid arbeidskundige en medische grondslag. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het uitoefenen van de geduide functies. Geen sprake van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/12 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2008, 08/625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gurses, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van

23 februari 2009 van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. F.A.M. Delfgaauw.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als fulltime productiemedewerker. Voor deze werkzaamheden is hij op 12 juli 1995 uitgevallen wegens rugklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 10 juli 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker appellant onderzocht tijdens een spreekuurcontact. Tevens heeft de verzekeringsarts kennis genomen van de brief van 23 februari 2007 van dr. P.W.H.M. Verheggen, cardioloog. In haar rapport van 25 mei 2007, aangevuld op 19 juni 2007, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de psychische belastbaarheid is verminderd waardoor appellant is aangewezen op stressarme arbeid. De fysieke belastbaarheid is beperkt ten gevolge van rugklachten. De belastbaarheid van appellant is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2007. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige J.H.A. Oosterwegel in zijn rapport van 6 juni 2007 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 42,30%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 11 juni 2007 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering ongewijzigd wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest, heeft daaraan aansluitend een lichamelijk onderzoek verricht en heeft de brief van 11 december 2007 van R.G. Bank, huisarts van appellant, bij zijn beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens en de bevindingen van zijn eigen medisch onderzoek heeft Admiraal in zijn rapport van 20 december 2007 geconcludeerd dat hij zich kan vinden in de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, met dien verstande dat hij appellant, anders dan de verzekeringsarts, normaal belastbaar acht wat betreft torderen. Tevens heeft hij de toelichting bij het item duwen/trekken nader geëxpliciteerd, zoals weergegeven in de FML van 19 december 2007. Met inachtneming van deze FML heeft bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld. In het rapport van 7 januari 2007 (lees: 2008) heeft Stroband geconcludeerd dat één functie komt te vervallen. Er blijven echter voldoende functies over om de schatting op te baseren, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit 48,20% bedraagt. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij het besluit van 18 januari 2008 - dat wat betreft de daarin weggevallen ingangsdatum is aangevuld op 24 januari 2008 - (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juni 2007 gegrond verklaard en bepaald dat zijn WAO-uitkering met ingang van 11 juni 2007 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het arbeidskundige rapport van 7 januari 2008, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen ten gevolge van zijn lichamelijke en psychische klachten heeft onderschat. Appellant acht zich vanwege zijn beperkingen niet in staat om de geduide functies te verrichten. Daarnaast acht appellant zich niet in staat om de geduide functies te verrichten omdat hij geen Nederlands spreekt. De grond wat betreft de actualiseringsdatum van de geduide functies heeft appellant ter zitting laten vervallen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de primaire verzekeringsarts de in overweging 1.3 vermelde brief van de cardioloog bij zijn beoordeling heeft betrokken. Uit voormelde brief komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn voor hartfalen en dat er geen sprake is van objectieve cardiale pathologie. Wat betreft de psychische klachten van appellant heeft bezwaarverzekeringsarts Admiraal in zijn aanvullende rapport van 4 april 2008 naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd dat er geen grond is om daarvoor meer beperkingen aan te nemen. Appellant stond ten tijde van de datum in geding niet onder psychische behandeling, de huisarts heeft in de brief van 11 december 2007 hiervan ook geen melding gemaakt en bij het eigen medisch onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts geen evidente psychopathologie waargenomen. Tot slot overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding.

5.3.1. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de uiteindelijk in de bezwaarprocedure aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043), elektronica monteur (sbc-code 267040) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn.

5.3.2. De Raad ziet evenmin aanleiding om de geduide functies niet passend te achten vanwege de beperkte beheersing van de Nederlandse taal van appellant. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van onder meer 8 mei 2009, LJN BI3744, overweegt de Raad dat uit de functiebeschrijvingen in het Resultaat Functiebeoordeling naar voren komt dat het eenvoudige en routinematige functies betreft waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt. In het licht hiervan heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor het uitoefenen van de geduide functies. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking - anders dan appellant heeft gesteld - dat het dossier geen aanwijzingen bevat om aan te nemen dat er bij appellant sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM