Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
08-5862 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. In hoger beroep is uitsluitend in geschil de vraag of de rechtbank terecht het Uwv is gevolgd in zijn standpunt dat aan het bestreden besluit een juiste vaststelling van het maatmaninkomen ten grondslag ligt. Daarbij spitst het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of het Uwv al of niet terecht als de voor appellant geldende maatmanarbeid heeft aangemerkt de arbeid van verpleegkundige A in opleiding. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, verwezen wordt hier naar zijn uitspraak van 29 september 1998, LJN ZB7914, RSV 1999/1, dient in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Met latere ontwikkelingen in het loon dat in de maatmanarbeid wordt verdiend wordt geen rekening gehouden. Tussen partijen is niet in geschil dat de laatstelijk voor het intreden op 17 maart 1989 van zijn arbeidsongeschiktheid door appellant verrichte arbeid die van leerling-verpleegkundige A in het [naam ziekenhuis] te [vestigingsplaats] was. Het Uwv heeft deze arbeid aangemerkt als de voor appellant geldende maatmanarbeid en het volgens het Uwv in die arbeid verdiende loon als maatmaninkomen. Dat standpunt is gebaseerd op een rapport van 1 december 2006 van de arbeidsdeskundige T. de Bruijni en een rapport van 5 december 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat als maatmanarbeid de arbeid van de verpleegkundige Z had moeten worden genomen. Deze arbeid was de arbeid die appellant verrichtte voordat hij de functie van verpleegkundige A in opleiding ging vervullen. Er is geen grond om, in afwijking van de vermelde jurisprudentie van de Raad, de eerdere functie als maatmanarbeid aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5862 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 augustus 2008, 08/126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is verschenen met bijstand van zijn gemachtigden A.J.G. Pierik en T.M. Franken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende. Appellant was werkzaam als verpleegkundige A in opleiding. In maart 1987 heeft hij dat werk gestaakt en is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Op zijn aanvraag is hem vervolgens een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, waarbij arbitrair als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 17 maart 1989 is genomen. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2006 appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 5 februari 2007 ingetrokken omdat met ingang van deze datum de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% moet worden gesteld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 14 december 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het besluit van 5 december 2006 en het bestreden besluit liggen een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is uitsluitend in geschil de vraag of de rechtbank terecht het Uwv is gevolgd in zijn standpunt dat aan het bestreden besluit een juiste vaststelling van het maatmaninkomen ten grondslag ligt. Daarbij spitst het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of het Uwv al of niet terecht als de voor appellant geldende maatmanarbeid heeft aangemerkt de arbeid van verpleegkundige A in opleiding. Appellant stelt dat hij de opleiding tot verpleegkundige A heeft moeten staken als gevolg van medische klachten, in verband met een HIV-infectie maar dat hij met een redelijke mate van zekerheid de opleiding tot verpleegkundige A zou hebben voltooid bij het bereiken van de wachttijd. In ieder geval had de arbeid van de verpleegkundige Z in aanmerking moeten worden genomen, omdat hij op dat moment de bevoegdheden en bekwaamheden van verpleegkundige Z had. Verder heeft appellant zijn bezwaren gehandhaafd tegen de hoogte van het door het Uwv in aanmerking genomen maatmaninkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, verwezen wordt hier naar zijn uitspraak van 29 september 1998, LJN ZB7914, RSV 1999/1, dient in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Met latere ontwikkelingen in het loon dat in de maatmanarbeid wordt verdiend wordt geen rekening gehouden. Tussen partijen is niet in geschil dat de laatstelijk voor het intreden op 17 maart 1989 van zijn arbeidsongeschiktheid door appellant verrichte arbeid die van leerling-verpleegkundige A in het [naam ziekenhuis] te [vestigingsplaats] was. Het Uwv heeft deze arbeid aangemerkt als de voor appellant geldende maatmanarbeid en het volgens het Uwv in die arbeid verdiende loon als maatmaninkomen. Dat standpunt is gebaseerd op een rapport van 1 december 2006 van de arbeidsdeskundige T. de Bruijni en een rapport van 5 december 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald.

4.2. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat als maatmanarbeid de arbeid van de verpleegkundige Z had moeten worden genomen. Deze arbeid was de arbeid die appellant verrichtte voordat hij de functie van verpleegkundige A in opleiding ging vervullen. Er is geen grond om, in afwijking van de vermelde jurisprudentie van de Raad, de eerdere functie als maatmanarbeid aan te merken.

4.3. Het standpunt van appellant dat als maatmanarbeid de arbeid behorende bij de functie van verpleegkundige A had moeten worden genomen komt hier op neer dat een reële toekomstverwachting rechtvaardigt dat de arbeid en het loon behorend bij de functie van de verpleegkundige A in aanmerking had moet worden genomen. De rechtbank heeft terecht deze stelling van appellant bezien in het licht van het leerstuk van de zogenoemde ‘niet gerealiseerde toekomstverwachting’. Dit betreft de situatie waarin met een redelijke mate van zekerheid ervan mag worden uitgegaan dat de betrokkene, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, een andere functie dan de beklede functie zou zijn gaan bekleden of een ander loon dan het genoten loon ten tijde van de uitval zou zijn gaan genieten. Indien een dergelijke, in voldoende mate vaststaande, functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging als gevolg van het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen doorgang heeft gevonden, kan er in die gevallen aanleiding zijn om voor de bepaling van de maatgevende functie of het maatgevende loon ervan uit te gaan dat die functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging wel heeft plaatsgevonden. Terecht heeft de rechtbank die stelling van appellant verworpen. Nadat appellant het werk van verpleegkundige A in opleiding in maart 1987 had opgegeven, heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. De desbetreffende opleiding heeft hij niet afgemaakt. Dat appellant ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid die opleiding niet heeft kunnen afmaken en dientengevolge de functie van verpleegkundige A niet heeft kunnen verwerven acht de Raad te speculatief. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad met juistheid overwogen dat, gelet op het gegeven dat appellant reeds bijna twee jaar werkloos was toen hij zich ziek meldde, er niet met een redelijke mate van zekerheid van kan worden uitgegaan dat appellant de opleiding tot verpleegkundige A met succes zou hebben voltooid.

4.4. Andere gronden van appellant, zoals die met betrekking tot de hoogte van het in aanmerking genomen maatmanloon treffen evenmin doel. Naar het oordeel van de Raad zal een wijziging van dat loon niet leiden tot indeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

4.5. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

(get.) Bolt.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR