Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
08-2684 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering. Uitgaande van de geschatte inkomsten heeft het Uwv bij het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad dan ook terecht besloten om de uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van september 2003 tot en maart 2006 uit te betalen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2684 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 april 2008, 07/3575 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tuenter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 3 mei 1994 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een melding bij het Uwv dat appellant inkomsten zou hebben uit de organisatie van bingo’s, is een fraude-onderzoek gestart. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zoals weergegeven op een communicatieformulier van 28 februari 2007, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in de periode van 24 september 2003 tot en met 8 maart 2006 uit de organisatie van bingobijeenkomsten inkomsten heeft genoten, die hij niet heeft opgegeven aan het Uwv. De hoogte van de verkregen inkomsten is geschat op € 149.438,66.

1.3. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 maart 2007 aan appellant meegedeeld dat, gelet op de verkregen inkomsten, met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van september 2003 tot en met maart 2006 geen uitkering wordt uitbetaald, omdat appellant op basis van zijn inkomsten eigenlijk voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.4. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de over de periode van 1 september 2003 tot en met 31 maart 2006 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 39.237,75 bruto van hem wordt teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 10 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 maart 2007, onder verwijzing naar een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren van 6 juli 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het bestreden besluit niet zonder meer had mogen afgaan op de verkregen inlichtingen over de opbrengsten van de bingobijeenkomsten, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende te worden vernietigd. Gelet evenwel op het in beroep verkregen stamproces-verbaal heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank appellant terecht als één van de drie organisatoren van de bingobijeenkomsten aangemerkt en is de hoogte van de verkregen inkomsten over de in geding zijnde periode, bij gebreke van andere verifieerbare gegevens, terecht schattenderwijs vastgesteld op € 149,438,66. In de door appellant in beroep overgelegde aanslagen kansspelbelasting en in het betoog dat rekening diende te worden gehouden met de te betalen inkomstenbelasting, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de geschatte hoogte van de inkomsten niet juist te achten. Mitsdien heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven, alsmede bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv is uitgegaan van te hoge bezoekersaantallen van de bingobijeenkomsten en dat de toerekening van de inkomsten aan hem onjuist is, omdat er anders dan waar van het Uwv is uitgegaan meer dan drie personen bij de organisatie waren betrokken. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem overgelegde aanslagen kansspelbelasting niet afdoen aan de hoogte van de inkomsten, omdat de afdracht daarvan tot lagere inkomsten leidt.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevoerde uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. In navolging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft de Raad in het licht van het geheel van de over appellant beschikbare gegevens, waaronder met name het stamproces-verbaal van 10 mei 2006 en de daarbij behorende processen-verbaal van verhoor en getuigenverklaringen, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellant in de periode van september 2003 tot en met maart 2006 bingobijeenkomsten heeft georganiseerd en daaruit inkomsten heeft ontvangen, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het Uwv. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, wordt door de Raad dan ook onderschreven.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Het is aan appellant om met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat de gegevens, waarvan het Uwv bij de besluitvorming is uitgegaan, onjuist zijn. Daarin is appellant niet geslaagd, nu appellant zijn standpunt niet met dergelijke gegevens heeft onderbouwd. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, in welk verband hij verwijst naar zijn uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB4799, rust het risico van een te hoge schatting dan geheel bij verzekerde. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv op basis van het stamproces-verbaal terecht uitgegaan van de gegevens met betrekking tot de bezoekersaantallen van de bingobijeenkomsten en het bedrag aan gemiddelde bestedingen door die bezoekers. Voorts heeft het Uwv appellant terecht aangemerkt als één van de drie organisatoren van de bingobijeenkomsten, nu ook hierover geen andersluidende, controleerbare gegevens beschikbaar zijn. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat op zijn inkomsten de aanslagen van de door hem te betalen kansspelbelasting in mindering dienen te worden gebracht, overweegt de Raad dat appellant ook hierover geen ondubbelzinnige gegevens heeft overgelegd. Aan de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van de Belastingdienst, Coördinatiepunt PrivéGebruik Auto, van 21 juli 2008, waarin geen bedragen zijn genoemd die betrekking hebben op het inkomen van appellant, kan de Raad dan ook niet die betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Uitgaande van de geschatte inkomsten heeft het Uwv bij het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad dan ook terecht besloten om de uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van september 2003 tot en maart 2006 uit te betalen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM