Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
08-409 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek, verricht door een verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts Zwemer, niet als onzorgvuldig of onvolledig is aan te merken. Ook de vraag of betrokkene, gelet op de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid voor arbeid, in medisch opzicht in staat is te achten tot het vervullen van de aan haar geduide functies, beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende arbeidskundige rapporten acht de Raad genoegzaam toegelicht en onderbouwd dat de belasting in de aan betrokkene geduide functies niet haar belastbaarheid te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/409 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 december 2007, 06/2720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien zijn door mr. Bogaers nadere gronden en stukken ingediend bij brieven van 4 april 2008, 11 april 2008, 6 oktober 2008, 27 oktober 2008, 24 november 2008, 25 mei 2009, 15 juni 2009, 18 juni 2009, 16 september 2009, 1 oktober 2009, 2 november 2009 en 11 november 2009. Het Uwv heeft gereageerd bij brieven van 25 juli 2008, 29 oktober 2008, 11 november 2008, 12 juni 2009, 17 juli 2009 en 2 oktober 2009.

Op 9 september 2009 is betrokkene overleden. Mr. Bogaers heeft te kennen gegeven het hoger beroep namens appellanten voort te zetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Voor appellanten zijn verschenen mr. Bogaers en [naam ex-echtgenote] van betrokkene. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving met ingang van 25 juli 1990 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 18 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 27 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van betrokkene opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), welke in de fase van bezwaar door bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer op basis van eigen onderzoek nog is aangepast. Ook wat het arbeidskundig aspect van het bestreden besluit betreft, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze juist is te achten en dat de uitkering van betrokkene terecht en op goede gronden per 18 juli 2006 is herzien.

3. De in hoger beroep aangevoerde, uitvoerig uitgewerkte gronden richten zich tegen het oordeel van de rechtbank over het medisch aspect van het bestreden besluit. Betrokkene vecht de juistheid aan van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch oordeel en is van mening dat de belasting in de aan haar geduide en aan de schatting ten grondslag liggende functies, haar belastbaarheid verre te boven gaat. Betrokkene heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden, dat de aard van haar klachten, grotendeels voortvloeiende uit het bij haar gediagnosticeerde Chronisch vermoeidheidssyndroom, niet op de juiste wijze is erkend en beoordeeld, zodat de in de FML opgenomen beperkingen bij lange na niet overeenkomen met de door haar dagelijks ervaren klachten, en dat de door het Uwv gegeven onderbouwing van de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid volstrekt ondeugdelijk is te achten. Deze stellingen zijn in de van de zijde van betrokkene in hoger beroep ingezonden brieven op uitgesponnen wijze uitgewerkt en onderbouwd met onder meer verklaringen van betrokkene zelf over het ziekteverloop gedurende de jaren, een weekdagboek van betrokkene, verklaringen van personen uit haar naaste omgeving, alsmede met een verklaring van dr. R.C.W. Vermeulen van het CFS Research Center Amsterdam van 15 mei 2007, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen uit een fietsergometeronderzoek, en een verklaring van drs. E. van der Scheer, neuropsycholoog, van 10 oktober 2008, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen uit een mentaal belastbaarheidsonderzoek.

4. Het Uwv heeft in hoger beroep, reagerende op de stellingen, stukken en verklaringen die betrokkene heeft doen inbrengen, het in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd. In zijn reacties, in belangrijke mate bestaande uit reacties van bezwaarverzekeringsarts Zwemer, heeft het Uwv betwist dat het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig, onvolledig, onjuist en ongemotiveerd is. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

5.2.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek, verricht door een verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts Zwemer, niet als onzorgvuldig of onvolledig is aan te merken. Bij het opstellen van de voor betrokkene geldende FML hebben deze artsen de klachten van betrokkene gewogen en op basis daarvan beperkingen aanvaard wat betrokkenes belastbaarheid voor arbeid betreft. De omstandigheid dat die artsen hebben aangegeven dat de diagnose Chronisch vermoeidheidssyndroom is gesteld bij afwezigheid van enige andere oorzaak voor betrokkenes klachten, heeft er niet toe geleid dat deze artsen hebben geconcludeerd tot afwezigheid van beperkingen tot het verrichten van arbeid ten gevolge van ziekte of gebrek. Dat met de door bezwaarverzekeringsarts Zwemer aangepaste FML naar opvatting van betrokkene onvoldoende recht wordt gedaan aan de mate en ernst van haar klachten, kan er naar het oordeel van de Raad niet toe leiden dat moet worden aangenomen dat de belastbaarheid van betrokkene is vastgesteld in strijd met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarin voorschriften over het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn gegeven.

5.2.2. Voorts heeft hetgeen door betrokkene in de loop van de procedure is aangevoerd, ook de Raad niet overtuigd van de onjuistheid van de ten aanzien van haar bij het bestreden besluit aangenomen beperkingen. Zoals de Raad reeds vaker heeft uitgesproken, kan voor de vaststelling van de mate van belastbaarheid in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de (subjectieve) beleving van de klachten door betrokkene. Dit brengt mee dat eigen verklaringen van betrokkene over haar klachten, zoals haar ziektegeschiedenis of een weekdagboek, en verklaringen van personen uit de naaste omgeving van betrokkene, niet die betekenis kunnen hebben die appellanten daaraan gehecht wensen te zien. Met name komt aan die verklaringen, vanuit objectief-medisch opzicht, onvoldoende gewicht toe om aan te nemen dat de ten aanzien van betrokkene aangenomen beperkingen onjuist moeten worden geacht. Er is immers slechts dan sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

5.2.3. Voorts is de Raad van oordeel dat aan de onder 3 genoemde verklaringen van dr. Vermeulen en drs. Van der Scheer evenmin die betekenis kan worden toegekend welke appellanten daaraan gehecht wensen te zien. Wat de uitkomsten van het fietsergometeronderzoek betreft, is de Raad van oordeel dat - nog daargelaten de vraag of in verband met de gebruikte onderzoeksmethode, waarbij aan de hand van de door de onderzochte persoon te verrichten fietstest wordt verzocht de mate van belastbaarheid in beeld te brengen, de onderzochte persoon zelf, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek - uit die uitkomsten niet valt af te leiden of en in hoeverre deze in een logische en consistente samenhang staan tot (uitingen van) ziekte of gebrek. Dit laatste geldt naar het oordeel van de Raad tevens voor de uitkomsten van het mentaal belastbaarheidsonderzoek, verricht door drs. Van der Scheer. Hoewel de Raad, naar hij reeds eerder heeft uitgesproken (zie zijn uitspraak van 23 april 2008, LJN BD1914), niet miskent dat bij een dergelijk onderzoek cognitieve tekorten kunnen worden vastgesteld, stelt hij, onder verwijzing naar diezelfde uitspraak, tevens vast dat, willen de uitkomsten van zo’n onderzoek in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betekenis toekomen, deze in een medisch-specialistisch rapport herleid dienen te worden naar medisch vastgestelde stoornissen. Zodanig medisch-specialistisch onderzoek ligt in deze zaak niet voor.

5.2.4. Tot slot ziet de Raad in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapport van een verzekeringsarts en de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Zwemer een genoegzame onderbouwing van de ten aanzien van betrokkene aangenomen belastbaarheid, als neergelegd in de ten aanzien van haar opgestelde en in bezwaar aangepaste FML. De Raad ziet dan ook onvoldoende grond om alsnog nader medisch onderzoek te doen verrichten door een door hem te benoemde medisch deskundige.

5.3. Ook de vraag of betrokkene, gelet op de ten aanzien van haar aangenomen belastbaarheid voor arbeid, in medisch opzicht in staat is te achten tot het vervullen van de aan haar geduide functies, beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende arbeidskundige rapporten acht de Raad genoegzaam toegelicht en onderbouwd dat de belasting in de aan betrokkene geduide functies niet haar belastbaarheid te boven gaat.

5.4. Op grond van het overwogene onder 5.2 en 5.3 is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellanten niet kan slagen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM