Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
07-6883 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het College aan appellante met ingang van 1 juli 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend, naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Daarbij is bepaald dat de netto-uitkering wordt verlaagd wegens de aan appellante voor de inkomstenbelasting 2006 verleende voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aan appellante verleende teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting, gelet op het voorlopige karakter daarvan, behoort tot de inkomensbestanddelen die op de bijstand in mindering strekken. De alleenstaande-ouderkorting behoort niet tot de vermogens- of inkomensbestanddelen die ingevolge artikel 31, tweede lid, van de WWB (in afwijking van het eerste lid) niet tot de middelen worden gerekend. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de alleenstaande-ouderkorting (anders dan de aanvullende alleenstaande ouderkorting) niet wordt genoemd in de onder c gegeven opsomming van heffingskortingen die op grond van hoofdstuk 8 van de Wet IB voor de toepassing van de WWB van het middelenbegrip zijn uitgezonderd. Gelet op het vorenstaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat de alleenstaande ouderkorting behoort tot het inkomen bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, dat op de voet van artikel 19, tweede lid, van die wet op de algemene bijstand in mindering komt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 19
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/120
JWWB 2010, 94
USZ 2010/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6883 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 november 2007, 07/424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het College aan appellante met ingang van 1 juli 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend, naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Daarbij is bepaald dat de netto-uitkering wordt verlaagd wegens de aan appellante voor de inkomstenbelasting 2006 verleende voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting.

1.2. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het College het tegen deze verrekening gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aan appellante verleende teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting, gelet op het voorlopige karakter daarvan, behoort tot de inkomensbestanddelen die op de bijstand in mindering strekken.

4.2. In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge de derde volzin behoort in elk geval tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).

Van dit hoofdstuk maakt onder meer artikel 8.15 van de Wet IB deel uit, welke bepaling handelt over de alleenstaande-ouderkorting.

4.3. De alleenstaande-ouderkorting behoort niet tot de vermogens- of inkomensbestanddelen die ingevolge artikel 31, tweede lid, van de WWB (in afwijking van het eerste lid) niet tot de middelen worden gerekend. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de alleenstaande-ouderkorting (anders dan de aanvullende alleenstaande ouderkorting) niet wordt genoemd in de onder c gegeven opsomming van heffingskortingen die op grond van hoofdstuk 8 van de Wet IB voor de toepassing van de WWB van het middelenbegrip zijn uitgezonderd.

4.4. Gelet op het vorenstaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat de alleenstaande ouderkorting behoort tot het inkomen bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, dat op de voet van artikel 19, tweede lid, van die wet op de algemene bijstand in mindering komt.

4.5. Anders dan appellante betoogt, doet hieraan niet af dat het in haar geval slechts ging om een voorlopige teruggaaf. De WWB maakt hier geen onderscheid. Ook een voorlopige teruggaaf behoort tot de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Indien deze teruggaaf bij de latere aanslagregeling geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt, kan voor die nadere aanslag met terugwerkende kracht algemene bijstand worden verleend. De memorie van toelichting op artikel 31 van de WWB stelt dit buiten twijfel (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56).

4.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

SG