Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6301

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
08-2055 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad voegt daar aan toe dat hij zich kan vinden in het in rubriek I vermelde rapport van Moons, die vermeldde - onder verwijzing naar het in 3.1 vermelde rapport van de behandelend psycholoog - dat op de datum in geding geen sprake was van een matig ernstige depressie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2055 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 februari, 07-6908 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en daarbij een tweetal stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij als reactie op het hoger beroep gevoegd rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van 3 juli 2008 en de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons van 8 juli 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft werkgeefster [naam werkgeefster], gevestigd te [vestigingsplaats] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Werkgeefster heeft niet gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was doordeweeks werkzaam als elektriciën en in het weekend als industrieel schoonmaker toen hij zich op 5 januari 2004 ziek meldde als gevolg van chronische pijnklachten in de elleboog. Bij hervatte werkzaamheden als elektriciën op therapeutische basis overkwam hem een bedrijfsongeval op 10 maart 2004, te weten een splinter in het rechteroog waardoor hij het zicht in dat oog nagenoeg geheel verloor.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 21 februari 2006 vastgesteld dat appellant met ingang van 2 januari 2006 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Hieraan lag ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts G.W.F. Bergkamp van 10 november 2005. Deze vermeldde dat appellant nog 5 x 4 uur per week als elektriciën werkzaam was en daarnaast 2 x 2 uur per week als schoonmaker bij een andere werkgever. Omdat appellant door het ongeval in feite éénogig was geworden en zich nog aan het aanpassen was aan deze visuele beperking, achtte Bergkamp hem voorlopig niet goed in staat tot langdurige oogbelastende werkzaamheden. Voorts was er volgens Bergkamp sprake van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Om deze redenen achtte Bergkamp een urenbeperking tot 20 uur per week en een herbeoordeling over 12 maanden aangewezen. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding een verlies aan verdienvermogen berekend van 53,13%.

2. Appellant is ter herbeoordeling op 20 november 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M.J. Hellevoort. In een rapport van dezelfde datum concludeerde Hellevoort na weging van de klachten, het dagverhaal en zijn onderzoek dat sprake was van resterende psychische verwerkingsklachten als gevolg van het visusverlies. Hellevoort achtte een urenbeperking in het eigen werk van appellant wel voorstelbaar omdat dat werk het redelijk oogbelastend is en de werkplek emotioneel beladen is. Bij ander minder oog- en emotioneel belastend werk waren er, volgens Hellevoort, geen argumenten voor een urenbeperking en hij zag die ook niet in de resterende psychische klachten. De beperkingen van appellant legde Hellevoort vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek op basis van een maatman, die 48 uur per week in twee functies werkzaam was, een verlies aan verdienvermogen bij functieduiding berekend van 33,98%. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 30 mei 2007 vast dat appellant met ingang van 31 juli 2007 geen recht meer had op de WGA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure ontving bezwaarverzekeringsarts Moons informatie van 9 augustus 2007 van de appellant behandelend psycholoog van GGZ Zaanstreek. Deze vermeldde dat appellant sinds september 2006 in behandeling was voor zijn PTSS-symptomen, dat deze symptomen zijn verminderd, maar niet geheel zijn verdwenen en dat het vermijdingsgedrag duidelijk was verminderd. Volgens de psycholoog was er nog sprake van een stemmingsstoornis.

3.2. Moons concludeerde in zijn rapport van 6 september 2007 dat de bevindingen van de psycholoog niet in tegenspraak zijn met het oordeel van Hellevoort. De psycholoog beschreef een niet ernstige stemmingsstoornis en volgens Moons hoefden de klachten van slecht slapen door nachtmerries niet in de weg te staan aan een voltijdse belasting. Moons onderschreef, gelet op een en ander, de conclusies van Hellevoort.

3.3. Bij besluit van 7 september 2007 verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 30 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 7 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank zag wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende grond voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Voorts zag de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de rapporten van Hellevoorts en Moons.

4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit volgde de rechtbank appellant niet in zijn standpunt in het aanvullend beroepschrift dat hij in de beide door hem vervulde functies voor zijn uitval in totaal 50 uur per week werkte. In dit opzicht kende de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de arbeidskundige rapporten van 4 augustus 2005 en 23 december 2005, volgens welke de omvang van de werkweek van appellant als elektriciën 38 uur was. Ten slotte is de functie schoonmaker/huishoudelijke medewerker gebouwen volgens de rechtbank niet om reden van een bijzondere belasting ten aanzien van het handelingstempo ongeschikt, nu appellant in de FML niet beperkt is op dit onderdeel.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant een verklaring van de arts M. Karami van GGZ Zaanstreek van 15 februari 2008 overgelegd. Deze arts gaf aan dat sprake was van een matig ernstige depressie en een PTSS gedeeltelijk in remissie en dat de depressieve klachten duidelijk op de voorgrond staan. Voorts legde de gemachtigde een brief van werkgever [naam werkgever 2] van 30 januari 2008 over, waarin werd vermeld dat appellant voor zijn uitval 40 uur per week werkte, dat er 13 ATV-dagen waren en dat de werkweek eigenlijk neerkwam op 38 uur per week. Verder gaf de gemachtigde aan dat de visusklachten van appellant in de weg staan aan het verrichten van de functies schoonmaker en productiemedewerker en het handelingstempo in die laatste functie.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad voegt daar aan toe dat hij zich kan vinden in het in rubriek I vermelde rapport van Moons, die vermeldde - onder verwijzing naar het in 3.1 vermelde rapport van de behandelend psycholoog - dat op de datum in geding geen sprake was van een matig ernstige depressie.

6.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad in de in 5.1 vermelde verklaring van werkgever [werkgever 2], gelet ook op de in rubriek I van deze uitspraak vermelde reactie van de bezwaararbeidsdeskundige, een bevestiging van het uitgangspunt van het Uwv dat de werkweek bij deze werkgever 38 uur per week was, zodat de omvang van de (gecombineerde) maatman terecht op 48 uur per week is gesteld en niet op 50 uur per week, zoals appellant voorstaat. Verder gaf Moons op 8 juli 2008 nog aan dat in de functie productiemedewerker (SBC-code 271092) - de Raad neemt aan dat de rechtbank ook deze functie op het oog had en niet de schoonmaakfunctie met

SBC-code 111334 - vanwege het routinematig karakter een verhoging van het handelingstempo niet bezwaarlijk is. Deze visie van Moons komt de Raad, gelet op hetgeen in de notities functiebelasting als kenmerken van de functie productiemedewerker is vermeld en op het feit dat, zoals de rechtbank aangaf, appellant niet beperkt is voor het aspect handelingstempo, niet onaannemelijk voor. Wat betreft de visusklachten stelde Moons dat het verlies van een oog alleen gevolgen heeft voor het diepte zien en dat de functies geen bijzondere eisen daaraan stellen.

6.3. De overwegingen 6.1. en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

TM