Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
09-1981 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhaving besluit tot herziening WAO-uitkering. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de uitspraak op de juiste wijze tot stand is gekomen. De Raad stelt vast dat de rechtbank de stukken van 18 december 2008, in strijd met artikel 8:39, eerste lid, van de Awb niet aan het Uwv heeft doorgezonden. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met de door de Awb voorgeschreven procesgang. In het onderhavige geval heeft de rechtbank, nadat van de zijde van appellante nadere stukken waren ingezonden, het Uwv niet opnieuw om toestemming in de zin van genoemd artikel verzocht, terwijl het Uwv een dergelijke toestemming ook anderszins niet heeft gegeven. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad deze zonder terugwijzing afdoen. De Raad volgt net als de rechtbank de deskundige Van der Ploeg in zijn conclusie, daarbij overwegend dat de deskundige de beschikking had over alle in dit geding beschikbare gegevens, inclusief informatie uit de behandelende sector. De Raad ziet de beroepsgronden van appellante dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts en is nagelaten appellante te onderzoeken niet slagen. Voldoende medische en arbeidskundige grondlag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1981 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2009, 05/1441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010, waar appellante en haar gemachtigde met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep van appellante is gericht tegen het besluit van 26 september 2005 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 16 februari 2005. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 12 april 2005 herzien wordt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft neuroloog R.J.O. van der Ploeg verzocht om appellante te onderzoeken en de rechtbank van advies te dienen. Mede naar aanleiding van de rapportage van Van der Ploeg heeft de rechtbank geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante niet onjuist was vastgesteld. De in verband daarmee aan appellante geduide functies pasten naar het oordeel van de rechtbank binnen die belastbaarheid. Het beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak dan ook ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is, dat in strijd met het protocol Chronischvermoeidheidssyndroom als bedoeld in de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcr. 2006, 33) is gehandeld en dat de bezwaarverzekeringsarts heeft verzuimd appellante te onderzoeken. Voorts is gewezen op het verschil in medische beoordeling in 2005 ten opzichte van 2001. Ten slotte is onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van de registerarbeidsdeskundige P. Rijnsburger bepleit dat de geduide functies ongeschikt zijn voor appellante.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de uitspraak op de juiste wijze tot stand is gekomen.

4.1.1. Nadat de rechtbank het beroep op 3 april 2008 ter zitting had behandeld, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is neuroloog Van der Ploeg verzocht om de rechtbank te adviseren. Beide partijen hebben vervolgens op het rappport van

Van der Ploeg gereageerd, waarna de rechtbank partijen heeft verzocht om overeenkomstig artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toestemming om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Nadat het Uwv op 15 december 2008 toestemming had verleend, heeft appellante op 18 december 2008 nadere stukken ingezonden. Vervolgens heeft appellante op 29 december 2008 een op 20 december 2008 gedateerde verklaring van vorenbedoelde toestemming ingezonden.

4.1.2. De Raad stelt vast dat de rechtbank de stukken van 18 december 2008, in strijd met artikel 8:39, eerste lid, van de Awb niet aan het Uwv heeft doorgezonden. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met de door de Awb voorgeschreven procesgang. In het onderhavige geval heeft de rechtbank, nadat van de zijde van appellante nadere stukken waren ingezonden, het Uwv niet opnieuw om toestemming in de zin van genoemd artikel verzocht, terwijl het Uwv een dergelijke toestemming ook anderszins niet heeft gegeven.

4.1.3. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad deze zonder terugwijzing afdoen.

4.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige te worden gevolgd, tenzij zich in een concreet geval feiten of omstandigheden voordoen die grond vormen om hiervan af te wijken. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van de hoofdregel af te wijken. De Raad volgt net als de rechtbank de deskundige Van der Ploeg in zijn conclusie, daarbij overwegend dat de deskundige de beschikking had over alle in dit geding beschikbare gegevens, inclusief informatie uit de behandelende sector. De deskundige kan instemmen met de vastgestelde belastbaarheid per datum in geding 12 april 2005 en heeft geen neurologische gronden gevonden om het oneens te zijn met het standpunt van het Uwv dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht om 20 uur per week te werken. Reeds om deze reden ziet de Raad de beroepsgronden van appellante dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts en is nagelaten appellante te onderzoeken niet slagen. Het beroep van appellante op voornoemd protocol, wat daar verder ook van zij, kan haar niet baten, omdat dit protocol op de in geding zijnde datum nog geen gelding had. De Raad is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is.

4.3. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als passend voor appellante zijn aangemerkt. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen alsook het vereiste opleidingsniveau voldoende zijn toegelicht. Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven en dat betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 147,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

EK