Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
09-436 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen objectieve oorzaak voor pijnklachten. Geduide functies in medisch opzicht passend. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO en dat per 28 november 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/436 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 december 2008, 08/4208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar rubriek 2.1 tot en met 2.5 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het navolgende.

1.2. Naar aanleiding van een arbeidsongeschiktheidsmelding per 30 november 2005 heeft het Uwv bij besluit van 8 november 2007 aan appellant, die eerder een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, gedurende de periode van 28 november 2007 tot 12 december 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 58%.

1.3. Naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar heeft heroverweging plaatsgevonden van de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 8 november 2007. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts is met betrekking tot de ziekmelding per 30 november 2005 door de verzekeringsarts terecht geoordeeld dat artikel 43a van de WAO niet kan worden toegepast, omdat er geen sprake is van toename van beperkingen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 25 maart 2008 aangepast, omdat hij objectief bezien vrijwel geen afwijking van betekenis heeft kunnen vaststellen. Alleen met (de gevolgen van) de diabetes en het verminderde gehoor dient rekening te worden gehouden. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de aangepaste FML en na overleg met de bezwaarverzekeringsarts de eerder geduide functies op geschiktheid beoordeeld en is in zijn rapportage van 7 april 2008 tot de conclusie gekomen dat uitgaande van de aangepaste belastbaarheid waarbij onder meer de urenbeperking niet is gehandhaafd, appellant in staat is de werkzaamheden in de geselecteerde functies fulltime te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op ruim 22%.

1.4. Bij besluit van 10 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de voormelde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 25 maart 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige van 7 april 2008, het bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe het standpunt ingenomen dat appellant ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 35%, doch het heeft tevens beslist dat niet ten nadele van appellant wordt teruggekomen van het besluit van 8 november 2007 zodat de uitkering eerst per 12 december 2009 wordt beëindigd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn standpunt dat bij de onderhavige beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en beperkingen. Naar zijn mening is er naar aanleiding van zijn melding van arbeidsongeschiktheid per 30 november 2005 sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Verder acht hij zich, gelet op zijn medische beperkingen, niet in staat werkzaamheden in de geduide functies per 28 november 2007 te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank onder meer met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit het volgende overwogen:

"2.10. In navolging van verweerder is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van de in bezwaar opgevraagde informatie bij huisarts en reumatoloog heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 25 maart 2008 en 13 augustus 2008 overtuigend en gemotiveerd aangegeven dat deze informatie geen aanleiding geeft om een toename van objectiveerbare beperkingen aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld dat er in de loop der tijd weliswaar enkele afwijkingen zijn gevonden, maar dat daaruit geenszins eisers uitgebreide klachten kunnen worden verklaard. Aanvankelijk berichtte de reumatologe dat er een duidelijke artritis bestond, maar later corrigeerde zij dat. Objectief is alleen sprake van diabetes mellitus en gehoorstoornissen, die niet aantoonbaar zijn toegenomen.

2.11. De rechtbank stelt vast dat noch in de rapporten van de reumatoloog, noch van de huisarts, noch in de overige gedingstukken – waaronder rapporten van psycholoog en psychiater – een objectieve oorzaak voor de pijnklachten van eiser wordt aangegeven, dan wel sprake is van een vrijwel eenduidige consistente opvatting dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Gelet op het grote aantal medische verklaringen voorhanden, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten eiser te volgen in zijn verzoek om benoeming van één of meer externe deskundige(n) om eisers klachten mogelijk nader te objectiveren."

4.2. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt de hiervoor geciteerde overwegingen tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen ten tijde hier van belang. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een medisch deskundige.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen ten tijde in geding is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting per 28 november 2007 ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In de diverse zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages zijn de bezwaren van appellant tegen de geduide functies op goede gronden weerlegd met de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven motivering van de geschiktheid voor deze functies.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat naar aanleiding van de melding van arbeidsongeschiktheid per 30 november 2005 geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO en dat per 28 november 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% is. Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

JL