Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
08-340 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat appellant niet langer beschikt over een verblijfstitel. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld, stuit (het) beroep op artikel 16, eerste lid, van de WWB af op het tweede lid van dit artikel, waarin is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Geen dringende redenen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad evenwel geen grondslag worden gevonden voor het buiten toepassing laten van de onderhavige wettelijke bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/340 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 december 2007, 06/9978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Namens appellant is mr. Wudka verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, die de Afghaanse nationaliteit heeft, is met ingang van 24 september 2000 een voorlopige vergunning tot verblijf in Nederland verstrekt, die met ingang van 1 april 2001 is omgezet in een vergunning asiel voor bepaalde tijd tot 24 september 2003. Hij ontvangt vanaf 3 april 2002 bijstand berekend naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant niet langer beschikt over een verblijfstitel. Bij besluit van 6 november 2006 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Roermond, bij uitspraak van 16 februari 2006 het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juli 2005, waarbij de aanvraag van appellant op 22 september 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is afgewezen, ongegrond heeft verklaard. Aangezien appellant geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak heeft aangewend kan hij volgens het College vanaf 16 februari 2006 niet langer met een Nederlander worden gelijk gesteld als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de inhoud van het hier toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Tussen partijen staat vast dat appellant in de periode van 1 juli 2006 tot en met de datum van het primaire besluit van 7 juli 2006, de periode hier in geding, niet kan worden aangemerkt als rechthebbende in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Dit betekent dat appellant in die periode geen recht op bijstand had.

4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het College gelet op alle omstandigheden aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van paragraaf 2.2., bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft zich op die bepaling beroepen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld, stuit dit beroep op artikel 16, eerste lid, van de WWB af op het tweede lid van dit artikel, waarin is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat, mede gelet op het individualiseringsbeginsel van de WWB, het niet de bedoeling kan zijn dat zijn verblijf in Nederland wordt gedoogd, terwijl hij zonder enige bron van inkomsten komt te verkeren omdat hem verboden is werkzaamheden te verrichten en hij aangewezen is op leningen. Ter zitting is tevens aangevoerd dat appellant vanaf april 2007 opnieuw beschikt over een verblijfsvergunning en sindsdien bijstand ontvangt en dat hij in de tussenliggende periode veel schulden heeft gemaakt, onder andere voor de kosten van huur en energie, en dat hij in kommervolle omstandigheden verkeert. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad evenwel geen grondslag worden gevonden voor het buiten toepassing laten van de onderhavige wettelijke bepaling.

4.5. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

mm