Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
08-283 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstand. Niet overleggen van gevraagde gegevens. Er is geen sprake van een besluit tot herziening of intrekking van bijstand over de periode in geding. De Raad verwijst in dit verband naar het advies van commissie voor de bezwaarschriften (...), welk advies door het College wordt gevolgd in het besluit van 25 september 2006, waarin wordt bevestigd dat er geen sprake is van een besluit tot herziening of intrekking van bijstand als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. In het voornoemde advies wordt bovendien geconcludeerd dat ’uit het onderzoek in het kader van de nieuwe aanvraag gebleken dat uit bankafschriften, die inmiddels zijn ingeleverd, niets bijzonders blijkt’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/283 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 november 2007, 07/2486, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College).

Datum uitspraak: 16 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar echtgenoot ontvingen vanaf 11 februari 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 21 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellante en haar echtgenoot met ingang van 20 juli 2006 opgeschort op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB omdat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn de gevraagde gegevens aan het College heeft toegezonden. Appellante is hierbij verzocht om vóór 27 juli 2006 alsnog de gevraagde gegevens te overleggen. Tevens heeft het College aangekondigd te onderzoeken of het recht op bijstand over de periode 1 januari 2005 tot 20 juli 2006 ongewijzigd in stand kan blijven.

1.3. Bij besluit van 28 juli 2006 is de bijstand van appellante en haar echtgenoot met ingang van 20 juli 2006 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken omdat de gevraagde bewijsstukken niet zijn verstrekt. Het College heeft daarbij tevens aan appellante en haar echtgenoot meegedeeld dat het recht op bijstand over de periode 1 januari 2005 tot en met 19 juli 2006 niet kan worden vastgesteld omdat niet is voldaan aan het verzoek om gegevens te overleggen.

1.4. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 juli 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het College de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellante en haar echtgenoot op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB tot een bedrag van € 25.821,69 bruto teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep is in geschil de vraag of het College bevoegd was om de kosten van bijstand van appellante en haar echtgenoot over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2006 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen.

4.2. Het terugvorderen van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is alleen mogelijk over een periode waarover het recht op bijstand is ingetrokken of herzien. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een besluit tot herziening of intrekking van bijstand over de periode in geding. De Raad verwijst in dit verband naar het advies van commissie voor de bezwaarschriften van 22 september 2006, welk advies door het College wordt gevolgd in het besluit van 25 september 2006, waarin wordt bevestigd dat er geen sprake is van een besluit tot herziening of intrekking van bijstand als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. In het voornoemde advies wordt bovendien geconcludeerd dat ’uit het onderzoek in het kader van de nieuwe aanvraag gebleken dat uit bankafschriften, die inmiddels zijn ingeleverd, niets bijzonders blijkt’. Het College is kennelijk alsnog tot de conclusie gekomen dat er geen grond is de bijstand van appellante en haar echtgenoot over de in geding zijnde periode te herzien of in te trekken.

4.3. Het voorgaande betekent dat de terugvordering van de bijstand niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve niet in stand kan blijven.

De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 14 mei 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 21 februari 2007 te herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare grond berust en dit gebrek, gelet op hetgeen in 4.2 slot is overwogen, niet zal kunnen worden hersteld.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 14 mei 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 mei 2007;

Herroept het besluit van 21 februari 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.

(get.) J.F. Brandringa.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

SG