Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
08-6608 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding ingeschakelde deskundige niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6608 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 7 oktober 2008, 06/626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.E.A. Runtuwene, werkzaam bij Abvakabo FNV te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is appellante op verzoek van de Raad onderzocht door psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 5 juni 2009.

Hierop is namens appellante door mr. E. Kort-Schenk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, bij brieven van 1 en 2 juli 2009 (met bijlagen) gereageerd. Het Uwv heeft bij brieven van 15 juli 2009 en 11 augustus 2009 (met bijlagen) een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010, waar appellante met bericht van afwezigheid niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is het besluit van 22 maart 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van

18 oktober 2005. Daarbij heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 19 december 2005 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen en in beroep nader zijn toegelicht. Het bestreden besluit is onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.

3.1. Namens appellante zijn in hoger beroep de eerdere gronden herhaald.

3.2. Op basis van het rapport van de deskundige psychiater Van den Bosch heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast op de aspecten 2.7.1: ‘eigen gevoelens uiten’ en 2.9.1: ‘samenwerken’. Bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke heeft de geduide functies vervolgens bezien op deze aanpassingen en geconcludeerd dat de functies onverminderd als geschikt te beschouwen zijn en dat appellante onveranderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

3.3. Namens appellante is -kort samengevat- gesteld dat zij per datum in geding op medische gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Ter ondersteuning is informatie van Salto en Gz-psycholoog G. Witvoet overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. In dit verband onderschrijft de Raad de genoemde aanpassingen in de FML. In hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om de deskundige Van den Bosch niet te volgen, nu de Raad vaststelt, dat de deskundige bij zijn onderzoek ook appellantes behandelcontacten met Gz-pycholoog Witvoet heeft meegewogen. De Raad heeft geen aanwijzingen dat in de gewijzigde FML niet genoegzaam rekening is gehouden met de beperkingen van appellante.

4.2. De Raad ziet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond voor het oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

4.3. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht, waar de juiste motivering van het bestreden besluit pas in hoger beroep door het Uwv is gegeven, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

EK