Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09-2218 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen redelijke grond voor ontslag. Het College van Bestuur heeft zich voor de toepassing van deze bepaling gebaseerd op de gestelde onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen betrokkene en zijn leidinggevende. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat het College de aanwezigheid van die verstoorde arbeidsrelatie niet aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep heeft het College geen stukken in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat er zodanige samenwerkingsproblemen waren(...) dat gesproken moet worden van een verstoorde arbeidsverhouding of van een impasse die slechts doorbroken kon worden door een ontslagverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2218 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van Bestuur van de Universiteit Twente (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 maart 2009, 07/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 11 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H. Willems-Holshof en prof. dr. ir. A.J. Mouthaan, beiden werkzaam bij de Universiteit Twente (hierna: universiteit). Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is vanaf 1993 in dienst van de universiteit als universitair hoofddocent in de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica (hierna: faculteit). Tot 1996 had hij [naam collega] als (ondergeschikte) collega. Met ingang van 2002 is deze toenmalige collega benoemd tot hoogleraar (in de leerstoel DACS), in welke positie hij betrokkenes leidinggevende werd. Betrokkene had zich tevergeefs gekeerd tegen die benoeming en had daarover onenigheid met het managment van de faculteit, wat ertoe heeft geleid dat hem eind 2001 de dienstopdracht is gegeven met de nieuwe hoogleraar te gaan samenwerken. Betrokkene heeft aan die opdracht gevolg gegeven.

1.2. Op 22 mei 2003 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden tussen prof. [naam professor] en betrokkene. Over de wijze waarop betrokkene zijn functie heeft vervuld, staan in het gespreksverslag “zeer goede onderzoeksresultaten” en “zeer goed onderwijs” vermeld; ook worden er enkele aandachts- en verbeterpunten genoemd. Onder ‘belemmerende factoren’ wordt gewezen op privéomstandigheden en wordt gesteld dat betrokkene geen carrièreperspectief ziet (“dan lukt het hier niet meer”). Verder wordt verwezen naar een bijlage. Dat betreft een door betrokkene opgestelde “brief account of work-related and personal developments over the past 12-18 months”. Gesteld wordt: “These developments had (and continue to have) an unfavourable impact on my direct work environment, career perspective, and personal well-being.” Betrokkene heeft dit als volgt uitgewerkt: “As a result of the conflict with the management which persisted throughout the past year, much of my energy has been wasted in arguments ans worries about my work environment and career development. A more serious consequence of this conflict is the enduring stress which, undoubtedly, has taken a significant toll on my productivity and personal well-being.”

1.3. Op 24 oktober 2003 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene, de decaan van de faculteit en een P&Oadviseur naar aanleiding van een verzoek van betrokkene gebruik te maken van een sabbatical leave. In een brief van 28 oktober 2003 van de decaan van de faculteit - met als onderwerp: Gespreksverslag 24/10/2003 Sabbatical leave/werkplekmutatie - wordt een samenvatting gegeven van dat gesprek, waarin betrokkenes verzoek in een breder kader is geplaatst, in het bijzonder betreffende de verhouding tussen betrokkene en prof. [naam professor]. Mede op basis van deze bredere oriëntatie concludeert de decaan dat de situatie rondom de samenwerkingsrelatie onvoldoende genormaliseerd is en dat hij overtuigd is geraakt van de onmogelijkheid deze normalisatie alsnog te realiseren.

1.4. In aansluiting hierop stelt de decaan in zijn brief van 28 oktober 2003 verder: “Op grond van deze vaststelling besluit ik deze onfortuinlijke samenwerkingsrelatie bij de leerstoel DACS met onmiddellijke ingang te beëindigen door u rechtstreeks onder mij te plaatsen. Beoogde mutatie moet gezien worden in het licht van een tijdelijke tussen-oplossing.”

1.5. In de brief worden vervolgens drie “afspraken gemaakt”. De eerste betreft de onder 1.4 weergegeven beslissing. De tweede behelst een verlof en sabbatical leave tot 1 juli 2004, “welke periode tevens aangewend wordt om de in- en externe arbeidsmarkt te onderzoeken”. In de derde plaats wordt gesteld: “Aan het eind van deze verlofperiode zal duidelijk zijn of u een externe betrekking (heeft) aanvaard, danwel dat u zich binnen de UT gaat aansluiten bij een passende leerstoel.”

Betrokkene is direct gebruik gaan maken van zijn verlof / sabbatical leave.

1.6. In juli 2004 is betrokkene teruggekeerd. Na enige correspondentie tussen de decaan van de faculteit en betrokkene, die, naar zijn zeggen, eerst toen kennis nam van de brief van 28 oktober 2003 en die zich niet kon verenigen met de door de decaan gehuldigde opvatting dat betrokkene niet meer kon blijven werken aan de faculteit, heeft de decaan laten weten dat er een onwerkbare situatie was ontstaan en dat er zo spoedig mogelijk een ontslagtraject in gang gezet moest worden met inachtneming van een onderzoek naar mogelijkheden van herplaatsing. Na niet geslaagde herplaatsingsactiviteiten, een ontslag-voornemen van 16 december 2004 en een nieuw ontslagvoornemen van 22 september 2005 heeft de secretaris van appellant op 9 januari 2006 een besluit genomen waarbij betrokkene met ingang van 10 april 2006 ontslag wordt verleend. Dat ontslag is gebaseerd op artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten 2006-2007 (hierna: CAO NU), dat de werkgever de bevoegdheid geeft een dienstverband voor onbepaalde tijd te beëindigen indien er sprake is van een redelijke grond.

Na bezwaar is het ontslag gehandhaafd bij het door de secretaris van appellant genomen besluit van 12 april 2007 (hierna: bestreden besluit).

2. De aangevallen uitspraak.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primiare ontslagbesluit herroepen. Verder heeft zij bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit in mandaat is genomen door dezelfde persoon die, eveneens in mandaat, het primaire besluit had genomen. Gelet op de door appellant nadien gegeven bekrachtiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderzocht of het besluit materieel in stand gelaten zou kunnen worden. Zij is tot de conclusie gekomen dat dat niet het geval is.

2.3. De rechtbank heeft de vraag beantwoord of appellant toepassing heeft kunnen geven aan artikel 8.4 van de CAO NU. Zij heeft daartoe bezien of het standpunt van appellant kan worden gevolgd dat sprake was van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen betrokkene en prof. [naam professor], in welke omstandigheid appellant een redelijke grond ziet als bedoeld in artikel 8.4. De rechtbank heeft vastgesteld dat zich over de samenwerking van prof. [naam professor] en betrokkene in de periode van januari 2003 tot oktober 2003 in het dossier nauwelijks aantekeningen en opmerkingen bevinden en dat appellant aldus niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die samenwerking tot zodanige problemen aanleiding heeft gegeven dat ontslag van betrokkene onontkoombaar zou zijn. De rechtbank heeft gewezen op het onder 1.2 vermelde verslag van het functioneringsgesprek van 22 mei 2003, waaruit niet blijkt dat verdere samenwerking met prof. [naam professor] onmogelijk was te achten.

3. Appellant heeft het onder 2.3 weergegeven oordeel van de rechtbank niet betwist. Wel heeft hij betoogd dat, anders dan de rechtbank blijkens het gestelde onder 2.3 heeft geoordeeld, er sprake was van een dusdanig verstoorde arbeidsrelatie tussen prof. [naam professor] en betrokkene, dat het noodzakelijk was betrokkene op 28 oktober 2003 uit zijn functie te ontheffen. Appellant heeft erop gewezen dat betrokkene zelf, bijvoor-beeld in zijn beroepschrift in eerste aanleg, spreekt van een onwerkbare situatie. Appellant wijst er verder op dat hij zich vervolgens voldoende, zij het tevergeefs, heeft ingespannen om betrokkene te herplaatsen. Appellant is van opvatting dat hij, nu hij, tot slot, betrokkene een garantie op een ontslaguitkering heeft toegekend, op een correcte wijze gebruik gemaakt heeft van zijn ontslagbevoegdheid.

4. Betrokkene heeft aangegeven dat hij met de onwerkbare situatie niet gedoeld heeft op de directe arbeidsrelatie met prof. [naam professor] in de periode van januari 2003 tot oktober 2003. Hij heeft het oog gehad op de moeizame relatie met het management van de faculteit en op de gevolgen voor zijn loopbaan van de besluitvorming door het management. Hij onderschrijft de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1. Hij kan zich vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak, hierboven onder 2.3 samengevat weergegeven, heeft beslist en overwogen met betrekking tot de afwezigheid van een redelijke grond als bedoeld in artikel 8.4 van de CAO NU. Appellant heeft zich voor de toepassing van deze bepaling gebaseerd op de gestelde onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen betrokkene en prof. [naam professor]. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat appellant de aanwezigheid van die verstoorde arbeids-relatie niet aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep heeft appellant geen stukken in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat er zodanige samenwerkingsproblemen waren met prof. [naam professor] dat gesproken moet worden van een verstoorde arbeidsverhou-ding of van een impasse die slechts doorbroken kon worden door een ontslagverlening. De Raad wijst erop dat betrokkene de brief van 28 oktober 2003, die door appellant ter zitting als niet gelukkig is gekenschetst, niet heeft behoeven op te vatten als een definitieve vaststelling van de aanwezigheid van een dergelijke verstoorde verhouding.

6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

7. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke worden begroot op € 322,- aan kosten van juridische bijstand en op € 36,- aan reiskosten, in totaal € 358,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 358,-;

Bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 447,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD

Q