Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09-257 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Niet is komen vast te staan dat appellant gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/257 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 16 december 2008, kenmerk BZ 8572, JZ/Q60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2007 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 26 juni 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat niet is komen vast te staan dat appellant gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, in rechte stand kan houden en overweegt daartoe als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Door appellant is bij zijn aanvraag een aantal gebeurtenissen naar voren gebracht die naar zijn mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:

- het getuige zijn van moorden en executies door de Japanners;

- het herhaaldelijk moeten vluchten tijdens gevechten tussen Gurkha’s en Indonesische opstandelingen bij de ijsfabriek in Batavia, waar appellant vlakbij woonde op het Petjodoplein en waarbij de vluchtende Indonesiërs met klewangs door hun woonhuis liepen.

Bij de hoorzitting in bezwaar heeft appellant nog gemeld een achtervolging en beschieting door Indonesiërs, terwijl hij bij zijn (pleeg) broer achterop de fiets zat toen ze naar huis fietsten in de omgeving van het Tjidengkamp.

2.3. Verweerster heeft een zorgvuldig te noemen onderzoek ingesteld, waarbij historische gegevens en bij verweerster bekende dossiers van familieleden en huisgenoten en van vergelijkbare zaken zijn geraadpleegd. De door appellant bij de hoorzitting in bezwaar genoemde getuige [getuige] is door verweerster tevergeefs twee maal schriftelijk en één maal telefonisch benaderd op het door appellant opgegeven adres en telefoonnummer. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat hiermee onvoldoende is getracht een verklaring van deze getuige te krijgen. Ook thans in beroep heeft appellant zelf geen verklaring van deze getuige ingebracht.

2.4. Van het getuige zijn van moorden en executies door de Japanners is geen bevestiging verkregen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is alleen de eigen verklaring van appellant onvoldoende om een calamiteit als weergegeven onder 2.1 aannemelijk te achten.

2.5. Met betrekking tot het herhaaldelijk vluchten tijdens de onder 2.2 genoemde gevechten heeft verweerster overwogen dat weliswaar aannemelijk is dat appellant in de periode 1945-1946 regelmatig moest vluchten voor de rampokkende pemoeda’s, maar dat er geen sprake is geweest van directe betrokkenheid in de zin van artikel 2 van de Wet. Appellant heeft steeds tijdig een schuilplaats op het nabij gelegen kerkhof gevonden. De Raad kan verweerster hierin volgen. Er is onvoldoende komen vast te staan dat de betrokken vluchten vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden hebben plaatsgevonden en er werd steeds tijdig een schuilplaats gevonden. In de ten behoeve van de aanvraag van appellant afgelegde verklaring van mevr. [naam huisgenote van appellant], destijds huisgenote van appellant, is bevestigd dat de familie een ladder had klaarstaan en zodra ze de kreten “ Bersiap! Bersiap!” hoorden ze zich niet veilig voelden en over de muur naar het naast het huis gelegen kerkhof vluchtten, waar ze zich verstopten. Dat die verklaring een andere periode betreft, zoals in beroep door appellant naar voren is gebracht, acht de Raad op grond van alle voorhanden zijnde gegevens niet aannemelijk. Blijkens de verklaring van appellant zelf en die van zijn zus, [naam zus van appellant] zijn appellant en zijn zus immers met de familie [naam familie] meeverhuisd naar het Petjodoplein.

2.6. Ook van het bij de hoorzitting genoemde incident, zoals weergegeven onder 2.2, is geen bevestiging verkregen.

3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD