Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09-3640 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanknopingspunten om de aan appellante geduide functies, waartegen overigens geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd, medisch ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3640 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 juni 2009, 08/926 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, gevestigd te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 januari 2010 heeft de gemachtigde van appellante nadere gronden ingediend en daarbij medische informatie gevoegd. Hierop heeft het Uwv bij brief van

12 januari 2010 gereageerd.

Het hoger beroep is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de Raad van 21 januari 2010. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als bejaardenverzorgster toen zij zich met ingang van 3 april 1995 ziek meldde met rugklachten. Aan appellante is, in aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 2 april 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling onderzocht door de arts J.P. Hol. In een rapport van 21 juni 2007 vermeldde Hol dat de gemiddelde dagindeling een zekere regelmaat en vaste structuur kent met een rustmoment in de middag. Bij het lichamelijk onderzoek nam Hol wat betreft de rug een forse bewegingsangst waar, maar was er volgens hem geen intrinsieke bewegingsbeperking van de rug. Hol ontving informatie van de huisarts van 16 februari 2007, welke inhield dat er in de periode van 1995 tot 1998 veel rugklachten waren en dat de diagnose was chronisch lage rugklachten mede ten gevolge van houdingsproblematiek. Hol achtte appellante in staat tot licht fysieke arbeid zonder te zware statische belasting van de rug. Gezien de aard van de problematiek achtte Hol rust overdag niet noodzakelijk. De beperkingen legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding berekend dat het verlies aan verdienvermogen 3,91% was. Dienovereenkomstig trok het Uwv bij besluit van 26 november 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 januari 2008 in.

3. In de bezwaarprocedure vermeldde de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar, die de hoorzitting op 31 maart 2008 bijwoonde, in haar rapport van 10 juli 2008 dat volgens appellante op die zitting door medicatie de hoge bloeddruk was gedaald. Ebbelaar motiveerde in haar rapport waarom naar haar mening, anders dan in het verleden was aangenomen, er geen medische noodzaak, ontleend aan de Standaard verminderde arbeidsduur, was voor het aannemen van een urenbeperking en zij onderschreef de FML. De bezwaararbeidsdeskundige M. van Wijngaarden lichtte in een rapport van 21 juli 2008 de signaleringen bij de geduide functies toe, corrigeerde het maatmanloon en berekende dat het verlies aan verdienvermogen 5,42% was. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 25 juli 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond.

4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 25 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Wat betreft de medische grondslag overwoog de rechtbank dat volgens Ebbelaar de hartklachten voldoende werden ondervangen door de in de FML al opgenomen beperkingen. Voorts oordeelde de rechtbank dat de in beroep gegeven aanvulling – welke blijkens de brief van 13 mei 2009 inhield dat appellante om de twee maanden door haar rug ging en dan enige weken niet belastbaar was – niet was voorzien van een medische onderbouwing en dat onvoldoende bleek dat deze problematiek zag op de datum in geding.

5. In hoger beroep heeft appellante haar eerder voorgedragen gronden, welke in essentie zien op de volgens haar niet juiste vaststelling van haar beperkingen, in grote lijnen herhaald. Voorts heeft appellante informatie van de huisarts over de haar in mei en juni 2006 voorgeschreven medicatie en van de fysiotherapeut over de behandelingen in de periode van 20 maart 2000 tot en met 9 juli 2009 overgelegd.

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank. Hij tekent daarbij aan dat uit het bij de informatie van de fysiotherapeut gevoegde overzicht behandelingen weliswaar kan worden afgeleid dat sprake was van veelvuldige behandelingen in de gehele in overweging 5 genoemde periode maar juist niet in de periode van december 2006 tot 27 mei 2008, waarin de datum bij het bestreden besluit in geding viel. In die periode was immers alleen sprake van behandeling op

4 en 18 december 2007 en op 4 februari 2008. Nog afgezien hiervan leest de Raad in de beschrijving van de behandelingen door de fysiotherapeut in de brief van 25 september 2009 niet dat, zoals de gemachtigde van appellante in de brief van

5 januari 2010 heeft gesteld, het appellante regelmatig in de rug schiet waardoor zij enkele weken niet in staat is tot arbeid.

6.2. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, gezien het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, geen aanknopingspunten de aan appellante geduide functies, waartegen overigens geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd, medisch ongeschikt te achten voor haar.

6.3. Gelet op de overwegingen 6.1 en 6.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK