Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09-213 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Appellante heeft geen vervolging in de zin van de Wet ondergaan. Er zijn geen aanknopingspunten voor de aanname dat dat appellante geïnterneerd is geweest. De andere genoemde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na de Japanse bezetting (tijdens de Bersiap-periode) en kunnen daarom niet onder de werking van de Wet vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/213 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 november 2008, kenmerk BZ 48002, JZ/T60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Daar is appellante (na berichtgeving) niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom- van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat zij er getuige van is geweest dat haar vader door de Japanners werd opgepakt en weggevoerd. Vervolgens heeft haar vader, aldus appellante, in de Werfstraatgevangenis gevangen gezeten. Verder heeft appellante gesteld dat zij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest. Ten slotte heeft appellante verklaard dat zij na de Japanse capitulatie samen met de andere gezinsleden met een Brits Troepenschip is geëvacueerd naar Singapore. In Singapore werd zij geplaatst in het Wilhelminakamp.

1.2. Bij besluit van 29 juli 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag van appellante afgewezen. Hiertoe is overwogen dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Daartoe heeft verweerster blijkens de gedingstukken het volgende meegewogen. Appellante is tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd geweest. Gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tijdens de Bersiap-periode vallen niet onder de werking van de Wet. De evacuatie naar Singapore en de plaatsing in het Wilhelminakamp vallen daarom niet onder de werking van de Wet. Verweerster heeft verder aangenomen dat de vader van appellante niet tijdens de Japanse bezetting is opgepakt en weggevoerd, maar in de Bersiap-periode, zodat ook die gebeurtenis niet onder de werking van de Wet is te brengen.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

3.1. Blijkens artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen door of namens de vijandelijke bezettende macht, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde instelling, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

3.2. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de gedingstukken, waaronder gegevens van het Nederlandse Rode Kruis en de verklaring van de zus van appellante, geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellante tijdens de Japanse bezettingsjaren geïnterneerd is geweest. Hiermee valt appellante buiten het toepassingsbereik van artikel 2 van de Wet.

3.3. Met betrekking tot de door appellante bij haar aanvraag genoemde arrestatie en gevangenhouding van haar vader overweegt de Raad het volgende. Deze omstandigheid kan niet worden meegewogen bij de in dit geding aan de orde zijnde vraag of appellante vervolging heeft ondergaan, nu hierbij alleen van belang is wat aan appellante zelf is overkomen. Voorts blijkt uit het door verweerster gehouden onderzoek, waarbij onder meer de bij de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen berustende gegevens van deze vader zijn geraadpleegd met daarbij door hem zelf in 1961 verstrekte gegevens, dat hij tijdens de Japanse bezetting niet is geïnterneerd geweest, maar pas in de Bersiap-periode van 15 oktober 1945 tot 10 november 1945. Om die reden kan deze gebeurtenis ook niet worden betrokken bij een mogelijk door verweerster in het kader van haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid tot gelijkstelling te nemen besluit.

3.4. De Raad overweegt dat ook de andere door appellante genoemde gebeurtenissen, namelijk de evacuatie naar Singapore en de plaatsing in het Wilhelminakamp, hebben plaatsgevonden na de Japanse bezetting (tijdens de Bersiap-periode) en daarom niet onder de werking van de Wet kunnen vallen.

3.5. Ten overvloede overweegt de Raad dat de beoordeling door verweerster van de hiervoor omschreven gebeurtenissen wel uit de gedingstukken valt af te leiden, maar dat deze beoordeling niet in het bestreden besluit is weergegeven. Een dergelijke motivering in het bestreden besluit is echter wel aangewezen.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord, zodat het ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD

25.01