Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09-117 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening: feiten en omstandigheden. De Raad benadrukt nogmaals dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante als kind is blootgesteld geweest aan angstige en ingrijpende gebeurtenissen. In de Wet is het echter van belang dat het specifieke oorlogsgebeurtenissen betreft en dat de door een betrokkene gestelde gebeurtenissen ook in voldoende mate kunnen worden bevestigd. Zonder een dergelijke bevestiging kan de aanvraag van een betrokkene niet worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/117 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 16 december 2008, kenmerk BZ 8765, JZ/T60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Daar is appellante (na berichtgeving) niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2006 een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening een gevolg zijn van de omstandigheden waaronder zij haar jeugdjaren in het voormalige Nederlands-Indië heeft doorgebracht. Als relevante ervaringen tijdens de Japanse bezetting heeft appellante naar voren gebracht: de internering in een woning in een voorstad van Batavia en in de woning van mevrouw [A.B.], het getuige zijn van mishandeling van haar moeder door een Japanner, het ondergedoken zitten, het getuige zijn van mishandelingen door Japanners in de kazerne naast de woning van mevrouw [A.B.], het getuige zijn van het onthoofden van een Indonesiër en neerschieten van mensen door Japanners, het horen dat mensen werden vermoord en het zien van verminkte lichamen in de kali en verminkte lijken in een put. Als relevante ervaringen tijdens de Bersiap-periode heeft appellante naar voren gebracht: de vlucht naar de Halimoenweg en evacuatie naar de haven van Tandjoeng Priok alsmede het meemaken van beschietingen.

1.2. Bij besluit van 22 augustus 2006, gehandhaafd in bezwaar bij besluit van 21 december 2006, heeft verweerster afwijzend op deze aanvraag beslist. Daartoe heeft verweerster overwogen dat niet gebleken is dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld en dat daardoor niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet.

1.3. Het door appellante tegen het onder 1.2 genoemde besluit van 21 december 2006 ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 8 november 2007, nr. 07/911 WUBO, ongegrond verklaard. Hierbij heeft de Raad overwogen dat de in het bestreden besluit neergelegde standpunten van verweerster ten aanzien van de door appellante genoemde gebeurtenissen de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

1.4. Bij brief van 16 september 2008 heeft appellante zich gewend tot verweerster. Verweerster heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van de eerdere beslissing. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 4 november 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

1.5. In beroep blijft appellante van mening dat zij op grond van hetgeen zij heeft meegemaakt ten tijde van de Japanse bezetting en in de Bersiap-periode voor de gevraagde uitkering in aanmerking behoort te komen. In het bijzonder vraagt appellante begrip voor haar mening dat volgens haar ten onrechte door verweerster een onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die geïnterneerd zijn geweest en mensen die hebben moeten vluchten en onderduiken, zoals appellante steeds heeft moeten doen. Appellante wijst erop dat zij als gevolg van haar slechte menselijke omstandigheden toentertijd, nu in slechte geestelijke en lichamelijke omstandigheden verkeert.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 61, derde lid van de Wet is verweerster bevoegd op een daartoe door belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellante feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluiten niet bekend waren en die besluiten in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. De Raad moet vaststellen dat appellante bij het onderhavige verzoek, dat verweerster terecht heeft aangemerkt als een herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, grotendeels heeft herhaald hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvraag had aangevoerd. De door appellante ingebrachte verklaring van haar neef, de heer A.A.F. Honer, bevat geen gegevens die een nieuw licht op de feiten werpen.

2.3. Gezien het vorenstaande kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.4. De Raad begrijpt het standpunt van appellante aldus dat zij vooral moeite heeft met het onderscheid dat volgens haar wordt gemaakt tussen degenen die internering hebben moeten ondergaan en degenen die als gevolg van de oorlog en de Bersiap-periode hebben moeten vluchten. Hierover overweegt de Raad als volgt. In de Wet is, anders dan appellante wellicht meent, niet slechts opgenomen dat een betrokkene als burger-oorlogsslachtoffer kan worden aangemerkt als hij of zij internering heeft moeten ondergaan. De Wet bestrijkt ook andere gebeurtenissen. Ook een vlucht (of evacuatie) kan onder omstandigheden onder de werking van de Wet worden gebracht, mits er sprake is geweest van levensbedreigende omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de vlucht (of evacuatie), bijvoorbeeld beschietingen onderweg. Daarvan is in het geval van appellante echter niet gebleken.

2.5. De Raad benadrukt nogmaals dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante als kind is blootgesteld geweest aan angstige en ingrijpende gebeurtenissen. In de Wet is het echter van belang dat het specifieke oorlogsgebeurtenissen betreft en dat de door een betrokkene gestelde gebeurtenissen ook in voldoende mate kunnen worden bevestigd. Zonder een dergelijke bevestiging kan de aanvraag van een betrokkene niet worden toegekend.

3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD