Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
08/4940 AW + 09/1896 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing en ontslag. Met nader besluit niet tegemoetgekomen. Het dossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat er geen ruimte meer zou zijn voor de kwaliteiten en wijze van leidinggeven van betrokkene, noch dat betrokkenes terugkeer in zijn functie van hoofd communicatie en voorlichting dit proces zou verstoren, noch sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk, nu een deugdelijke vastlegging van relevante gegevens die daarop duiden ontbreekt. Keuze voor niet vastleggen van problemen komt voor risico van college. Verklaringen van de toenmalige burgemeester en van de betrokken wethouder voorzien evenmin in een deugdelijke grondslag voor het ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4940 AW en 09/1896 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: het college),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 juli 2008, 07/4361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

het college

Datum uitspraak: 18 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 12 maart 2009 een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.C. Balke, advocaat te Zwolle, en G.S.L. Bertelink en drs. J. Miedema, beiden werkzaam bij de gemeente Ede. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 november 1999 aangesteld bij de gemeente Ede. Met ingang van 1 december 2000 is hij benoemd tot hoofd Communicatie en Voorlichting. Met ingang van 1 januari 2003 is betrokkene bevorderd naar schaal 13. Betrokkene is ziek geweest van eind augustus 2004 tot mei 2005. In het najaar van 2006 is betrokkene te kennen gegeven dat hij moest gaan uitzien naar een functie buiten de gemeente Ede. Betrokkene is een outplacementtraject aangeboden en hem is met ingang van 20 november 2006 buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. In een brief van 1 december 2006 heeft betrokkene zijn aanvankelijk toegezegde medewerking aan het outplacementtraject ingetrokken en kenbaar gemaakt dat hij met ingang van 12 februari 2007 zijn werk wilde hervatten.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2007 is betrokkene op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsregeling van de gemeente Ede (hierna: CAR/UWR) met ingang van 12 februari 2007 geschorst in het belang van de dienst (hierna: schorsingsbesluit). Het college heeft aan het schorsingsbesluit ten grondslag gelegd dat het niet verantwoord is dat betrokkene in afwachting van een definitieve oplossing terugkeert in zijn functie. Daartoe is gesteld dat in de afgelopen maanden binnen de afdeling Communicatie een ontwikkeling in gang is gezet, waarin geen ruimte meer is voor de kwaliteiten en wijze van leidinggeven van betrokkene en dat diens terugkeer dit proces zou verstoren.

1.3. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft het college op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWR aan betrokkene eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2007 (hierna: het ontslagbesluit).

1.4. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college 158,75 verlofuren van betrokkene verrekend met de eindafrekening van diens salaris in mei 2007 (hierna: het verrekeningsbesluit).

1.5. Het college heeft bij besluit van 19 september 2007 (hierna: bestreden besluit) de bezwaren van betrokkene tegen de in 1.2, 1.3 en 1.4 weergegeven besluiten ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan tussen betrokkene en het bestuur van de gemeente, waardoor een onwerkbare situatie is ontstaan.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Tevens heeft de rechtbank het college opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van betrokkene. Het oordeel van de rechtbank komt er in het kort op neer dat het college zijn standpunt niet aan de hand van stukken heeft kunnen onderbouwen, zodat het ontslagbesluit en het schorsingsbesluit op onvoldoende feitelijke grondslag zijn gebaseerd. Het gebrek aan dossiervorming heeft de rechtbank voor risico van het college gebracht. Als gevolg van de vernietiging van het ontslagbesluit en het schorsingsbesluit kon het verrekeningsbesluit evenmin in stand blijven, aldus de rechtbank.

3.1. Het college heeft bij het in rubriek I genoemde besluit van 12 maart 2009 uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het college heeft zijn eerdere besluiten met aanpassing van de motivering van het ontslagbesluit gehandhaafd.

3.2. Aangezien met het besluit van 12 maart 2009 niet geheel aan het bezwaar van betrokkene is tegemoetgekomen strekt het hoger beroep zich op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, tevens uit tot dit besluit.

4.1. Het college heeft in hoger beroep bestreden dat zijn standpunt dat sprake is van onherstelbaar verstoorde verhoudingen op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Het college heeft gesteld dat betrokkene onvoldoende invulling gaf aan de bedrijfsvoeringaspecten van zijn functie, aan een bezuinigingstaakstelling en aan politieke wensen en verwachtingen en vanaf 2005 intensief is begeleid op relationele en communicatieve aspecten. Volgens het college was de relatie tussen betrokkene en de burgemeester, portefeuillehouder communicatie, vóór de ziekte van betrokkene al niet goed en is deze daarna zodanig verslechterd, dat in het voorjaar van 2006 is besloten om de portefeuille communicatie aan een wethouder toe te delen. Ook deze heeft na enige tijd het vertrouwen in betrokkene verloren, waarna met betrokkene is gesproken over diens toekomst. Betrokkene kwam in dat kader gemaakte afspraken volgens het college niet na en trok in december 2006 zijn medewerking aan een outplacementtraject in. Op dat moment bestond geen basis meer voor verdere samenwerking, aldus het college, en is betrokkene medegedeeld dat zijn dienstverband beëindigd zou worden. Het college meent betrokkene voldoende kans op verbetering te hebben geboden en voldoende inspanningen te hebben gepleegd om de verhoudingen te herstellen. Dat dit alles niet in schriftelijke stukken is neergelegd vindt volgens het college zijn verklaring in het feit dat ervoor is gekozen op informele wijze via overleg tot een oplossing te komen. Het college heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een verklaring van de toenmalige burgemeester, gedateerd 1 oktober 2008, overgelegd, evenals een verklaring van de betrokken wethouder, gedateerd 8 september 2008. Wat betreft de schorsing heeft het college nog aangevoerd dat de directe aanleiding daarvoor was gelegen in zeer grievende uitlatingen van betrokkene aan het adres van de burgemeester.

4.2. Betrokkene heeft de stellingen van het college weersproken. Hij heeft aangevoerd dat iedere onderbouwing van die stellingen ontbreekt en hij heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat het dossier geen stukken bevat waaruit blijkt van een in 2006 binnen de afdeling Communicatie van de gemeente Ede in gang gezette ontwikkeling, dat en om welke redenen daarin geen ruimte meer zou zijn voor de kwaliteiten en wijze van leidinggeven van betrokkene, noch dat betrokkenes terugkeer in zijn functie van hoofd communicatie en voorlichting dit proces zou verstoren. Reeds hierom moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het schorsingsbesluit op onvoldoende feitelijke grondslag berust en niet in stand kan blijven.

5.2. Ter beantwoording van de vraag of het college de bevoegdheid toekwam om tot ontslag van betrokkene over te gaan op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWR dient te worden beoordeeld of inzichtelijk is gemaakt dat voldoende grondslag bestond voor een ontslag op andere gronden, zoals verwoord in het ontslagbesluit. Ook hier moet de Raad vaststellen dat in de stukken geen bevestiging kan worden gevonden van de stellingen van het college met betrekking tot het bestaan van een onherstelbare vertrouwensbreuk, nu een deugdelijke vastlegging van relevante gegevens die daarop duiden ontbreekt. Dat het college ervoor heeft gekozen om de gestelde problemen in de samenwerking van betrokkene met de burgemeester en andere gemeentebestuurders en de beweerdelijk met betrokkene gevoerde gesprekken over zijn functioneren niet schriftelijk vast te leggen dient, nu betrokkene de stellingen van het college uitdrukkelijk heeft weersproken, voor risico van het college te komen.

5.3. De in hoger beroep overgelegde verklaringen van de toenmalige burgemeester en van de betrokken wethouder voorzien evenmin in een deugdelijke grondslag voor het ontslag. Uit de verklaring van de toenmalige burgemeester blijkt niet dat de relatie tussen betrokkene en het bestuur van de gemeente zodanig was verslechterd dat een onwerkbare situatie was ontstaan en de noodzakelijke vertrouwensbasis niet meer aanwezig was, nu daaruit slechts is af te leiden dat betrokkene niet functioneerde zoals de burgemeester wenste. In de verklaring van de toenmalige wethouder wordt wel gewag gemaakt van een samenwerkingsprobleem, maar wordt niet aangegeven waaruit dat probleem bestond en blijkt niet van een onherstelbaar verstoorde samenwerkingsrelatie. Nu voor het ontslag geen feitelijke grondslag aanwezig was, was het college niet bevoegd om betrokkene op de gebruikte grond te ontslaan.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De Raad zal voorts de primaire besluiten van 9 februari 2006 en 28 februari 2007 herroepen, aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft ook aan die besluiten kleeft en niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden. Gelet hierop bestaat geen ruimte voor het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene door het college. Dit geldt ook voor het verrekeningsbesluit, waarvoor geen grondslag bestaat. Voor zover bij de aangevallen uitspraak de primaire besluiten niet zijn herroepen en het college de opdracht is gegeven een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van betrokkene, komt de aangevallen uitspraak dan ook voor vernietiging in aanmerking.

6. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 5.4 is overwogen, is aan het besluit van 12 maart 2009 de grondslag komen te ontvallen. Dat besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

7. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 805,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het college opdracht is gegeven opnieuw op de bezwaren van betrokkene te beslissen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Herroept de besluiten van 9 februari 2007, 28 februari 2007 en 24 april 2007;

Vernietigt het besluit van 12 maart 2009;

Veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 805,-;

Bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 433,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD