Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09-11 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met toepassing van artikel 43a van de WAO wederom in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering. De gedingstukken hebben in voldoende mate uitwijzen dat appellant de tot maart 2003 ontvangen uitkering is toegekend enkel en alleen vanwege knie- en schouderklachten en dat de thans door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid een gevolg is van een andere ziekteoorzaak. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat de thans geclaimde arbeidsongeschiktheid een gevolg is van een verergering van zijn knie- en schouderklachten. Het door het Uwv ingenomen standpunt dat de thans door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde oorzaak voortvloeit als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering tot 2003 werd toegekend, kan de Raad derhalve niet voor onjuist houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/11WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 november 2008, 08/3066 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.R. Angad Gaur hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Angad Gaur, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 11 maart 1997 uitgevallen voor zijn werk als afwerker. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Aangezien appellant met ingang van 1 maart 2003 is gaan werken als magazijnmedewerker, is de WAO-uitkering op zijn verzoek beëindigd. In februari 2005 heeft appellant zich ziek gemeld wegens hartklachten. Nadat hij hersteld was verklaard, heeft hij zich in juni 2007 wederom ziek gemeld vanwege het vervangen van een lens in zijn rechteroog.

1.2. In juli 2007 heeft appellant zich vanwege toegenomen beperkingen tot het Uwv gericht met het verzoek om met toepassing van artikel 43a van de WAO wederom in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant op 14 augustus 2007 onderzocht door de verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft in haar rapport vastgesteld dat appellant zich na de beëindiging van zijn uitkering in maart 2003 tweemaal ziek heeft gemeld vanwege andere klachten dan de knie- en schouderklachten op grond waarvan hem tot maart 2003 een uitkering is toegekend. Zij heeft dan ook geconcludeerd dat de in artikel 43a van de WAO bedoelde verkorte wachttijd van vier weken in het onderhavige geval niet van toepassing is. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 7 september 2007 meegedeeld dat zijn verzoek wordt afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de in artikel 43a van de WAO gestelde voorwaarden.

2.1. In bezwaar heeft appellant onder meer gesteld dat hij in het verleden bij zijn werkgever een bedrijfsongeval heeft gehad, hetgeen heeft geleid tot psychische klachten. Mede op grond van deze psychische klachten is hem destijds een WAO-uitkering toegekend. Aangezien hij naar zijn mening als gevolg van deze psychische klachten hart- en oogklachten heeft gekregen, is hij de mening toegedaan dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 43 a van de WAO in het onderhavige toepassing mist. Het verzoek is derhalve ten onrechte afgewezen.

2.2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts te kennen had gegeven zich te kunnen verenigen met het door de verzekeringsarts ingenomen standpunt, heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 17 maart 2008 het eerder ingenomen standpunt ongewijzigd gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellant de in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. Daarnaast heeft hij gesteld dat de klachten op grond waarvan hem destijds een WAO-uitkering is toegekend, zijn verergerd en dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelende sector.

3.2. Nadat appellant ten tijde van de zitting van de rechtbank nog een rapport van de psychiater R.W. Jessurun had overgelegd, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald, waarbij hij nog een verklaring van de psychiater Jesserun en de behandelend orthopedisch chirurg S. de Lange heeft overgelegd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen, die bij dit onderzoek de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector, onzorgvuldig is geweest.

5.3. Voorts is de Raad van oordeel dat de gedingstukken in voldoende mate uitwijzen dat appellant de tot maart 2003 ontvangen uitkering is toegekend enkel en alleen vanwege knie- en schouderklachten en dat de thans door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid een gevolg is van een andere ziekteoorzaak. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat de thans geclaimde arbeidsongeschiktheid een gevolg is van een verergering van zijn knie- en schouderklachten. Evenmin is de Raad tot de conclusie kunnen komen dat aan de tot maart 2003 toegekende uitkering ook psychische klachten ten grondslag hebben gelegen. De in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Het door het Uwv ingenomen standpunt dat de thans door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde oorzaak voortvloeit als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering tot 2003 werd toegekend, kan de Raad derhalve niet voor onjuist houden. Dit betekent dat het Uwv het onderhavige verzoek terecht heeft afgewezen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ