Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
08-3640 WWB + 09-974 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting door aan het College niet te melden dat zij naast de woning waarin zij woonden nog een vrije sector-huurwoning huurden. Voorts kan de Raad zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de bemoeienis van appellanten met de paarden die ten tijde hier van belang was gestald in een stal in [plaatsnaam] van een dusdanige aard en omvang is geweest dat appellanten daarvan melding hadden moeten maken aan het College. De Raad volgt appellanten niet in hun stelling dat hun activiteiten met betrekking tot de paarden slechts een hobbymatig karakter hadden. De Raad voegt hier nog aan toe dat volgens vaste rechtspraak, behoudens toereikend tegenbewijs, een stamboekregistratie als in het onderhavige geval volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling rechtvaardigt dat de op naam van appellante staande paarden een bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellanten ten tijde in geding beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken. Appellanten zijn er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd dat tegenbewijs te leveren. Het College was bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan appellanten verleende bijstand over de periode van

7 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 in te trekken. Uit het hiervoor overwogene volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd is de kosten van de over genoemde periode verleende bijstand van appellanten terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3640 WWB

09/974 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 april 2008, 07/1723 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.J. Verhagen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Verhagen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

1.2. Appellanten, die met elkaar gehuwd zijn, hebben met ingang van 7 december 2001 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Een onderzoek in verband met de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft geleid tot vragen met betrekking tot de financiële situatie van appellanten. Uit het daarop gevolgde nadere onderzoek door de sociale recherche is onder meer gebleken dat appellanten, die zelf in een vrije sector-huurwoning te [woonplaats] wonen, met ingang van 16 juli 2001 ook een vrije sector-huurwoning in [naam gemeente], [adres], hebben gehuurd en die woning vervolgens hebben onderverhuurd. Voorts is uit dat onderzoek gebleken dat er op naam van appellante twaalf paarden staan geregistreerd bij de Koninklijke vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) en dat die paarden zich bevinden in een stal te [plaatsnaam].

1.3. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het College de aan appellanten over de periode van 7 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 verleende bijstand ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode ten bedrage van € 61.101,15 teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 21 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellanten de inlichtingenverplichting niet naar behoren zijn nagekomen, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellanten in de periode van 7 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 21 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de huur en onderhuur van de woning aan de [adres] te [naam gemeente] onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank onder 2.19 van de aangevallen uitspraak. Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door aan het College niet te melden dat zij naast de woning waarin zij woonden nog een vrije sector-huurwoning huurden. Ter zitting heeft appellant bevestigd dat alle betalingen met betrekking tot de (onder)huur van de woning te [naam gemeente] contant hebben plaatsgevonden. Verifieerbare gegevens over eventueel uit de onderhuur verworven inkomsten ontbreken. Aan de twee reeds in beroep ingebrachte verklaringen van 21 en 23 januari 2008 van personen die, naar zij verklaren, de woning van appellanten hebben gehuurd, kan niet die waarde worden toegekend die appellanten daaraan toegekend willen zien. Deze verklaringen zien slechts op de periode vanaf december 2005 en worden bovendien niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens.

4.2. Voorts kan de Raad zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen onder 2.20 van de aangevallen uitspraak, dat de bemoeienis van appellanten met de paarden die ten tijde hier van belang was gestald in een stal in [plaatsnaam] van een dusdanige aard en omvang is geweest dat appellanten daarvan melding hadden moeten maken aan het College. De Raad volgt appellanten niet in hun stelling dat hun activiteiten met betrekking tot de paarden slechts een hobbymatig karakter hadden. Daarbij kent de Raad belangrijke betekenis toe aan het aantal paarden dat in de in geding zijnde periode op naam van appellante geregistreerd heeft gestaan, aan de omvang van de activiteiten, bestaande uit het fokken en de voorbereiding daarvan en de verzorging van de paarden, alsmede aan de geldelijke waarde die de paarden in het economisch verkeer in het algemeen hebben. Gelet hierop gaan bedoelde activiteiten ook het vrijwilligerswerk waarvoor appellant toestemming van het College had gekregen te buiten. Door van die activiteiten geen melding te maken hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichtingen geschonden.

4.3. De Raad voegt hier nog aan toe dat volgens vaste rechtspraak, behoudens toereikend tegenbewijs, een stamboekregistratie als in het onderhavige geval volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling rechtvaardigt dat de op naam van appellante staande paarden een bestanddeel vormden van het vermogen waarover appellanten ten tijde in geding beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken. Appellanten zijn er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd dat tegenbewijs te leveren. Aan de enkele, in bezwaar ingebrachte, ongedateerde verklaring van appellantes broer [naam broer] dat hij de eigenaar van de paarden is, komt naar het oordeel van de Raad geen betekenis toe, nu deze verklaring geen enkele steun vindt in objectieve en verifieerbare gegevens.

Derhalve worden de op naam van appellante geregistreerde paarden geacht een bestanddeel te vormen van het vermogen van appellanten. Door van de registratie van paarden op naam van appellante geen melding te maken aan het College, zijn appellanten derhalve ook in dat opzicht de op hen rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat appellanten op meerdere punten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat door die schending het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

4.5. De omstandigheid dat appellanten bij arresten van 4 april 2008 door het Gerechtshof Amsterdam zijn vrijgesproken, doet aan het voorgaande niet af. Daargelaten dat niet gebleken is wat appellanten nu precies ten laste is gelegd, is de bestuursrechter naar vaste rechtspraak van de Raad bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. In hetgeen appellanten in dit verband hebben aangevoerd ziet de Raad geen enkele aanleiding om hierop een uitzondering te maken.

4.6. In het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan appellanten verleende bijstand over de periode van

7 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid had moeten afwijken.

4.7. Uit het hiervoor overwogene volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd is de kosten van de over genoemde periode verleende bijstand van appellanten terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.

(get) J.C.F. Talman.

(get) M.C.T.M. Sonderegger.

SG