Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09-1984 WAO + 09-1985 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De verzekeringsartsen hebben een aantal beperkingen vastgesteld in de FML met betrekking tot zijn mogelijkheden tot functioneren. Gezien het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen aan de rug en het niet onder behandeling zijn van appellant, houdt de Raad het niet voor onjuist dat hiervoor geen beperkingen zijn aangegeven. Het komt de Raad - net als de rechtbank en de door haar ingeschakelde deskundige - voor dat de psychische beperkingen van appellant niet zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1984 WAO + 09/1985 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 februari 2009, 07/2958 en 07/4448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zegers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%.

1.3. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 1 december 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 januari 2007 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.5. Tegen dit besluit heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluiten van 4 april 2007 heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.

2.1. Appellant is hiertegen in beroep gekomen.

2.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater H.N. Dijkstra te benoemen als deskundige voor het verrichten van een psychiatrische expertise. Hij heeft op1 september 2008 gerapporteerd.

2.3. In reactie op het deskundigenadvies heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn de conclusie getrokken dat er geen grote verschillen van mening bestaan aangaande de diagnose en belastbaarheid.

2.4. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om in het onderhavige geval de conclusie van de op haar verzoek door een deskundige uitgebrachte rapportage niet te volgen. Nu de beperkingen van appellant die Dijkstra heeft waargenomen reeds voor een groot deel zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en de bezwaarverzekeringsarts de overige verschillen gemotiveerd heeft weersproken, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de FML voor onjuist te houden. Deze FML kon derhalve ten grondslag worden gelegd aan de arbeidskundige beoordeling. Appellant heeft, aldus de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat ten onrechte geen rekening gehouden wordt met zijn rugklachten. Dat onderzoek door een orthopedisch chirurg in 1992 geen oorzaak voor de rugklachten opleverde wil nog niet zeggen dat in 2008/2009 geen oorzaak gevonden kan worden, laat staan dat de vroeger door het Uwv erkende rugklachten nu niet meer zouden bestaan. Appellant acht het onbegrijpelijk dat zonder enig onderzoek de conclusie van de in zijn ogen niet onafhankelijk oordelende verzekeringsarts wordt gevolgd. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de deskundigeDijkstra in zijn rapport heeft vermeld dat hij appellant op basis van een psychiatrische ziekte slechts beperkt arbeidsgeschikt voor werkzaamheden acht.

3.2. In haar rapport van 13 juli 2009 heeft Coehoorn aangevoerd dat de gronden van het hoger beroep geen aanleiding geven voor het innemen van een ander standpunt ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. In het verleden verricht specialistisch onderzoek naar de rugklachten hebben geen verklaring kunnen geven voor de ernstige klachten van appellant. Het valt niet te verwachten dat nieuw specialistisch onderzoek belangrijke nieuwe bevindingen zal opleveren omdat bij lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts A.J.D. Versteeg, zoals in eerdere rapporten al door de bezwaarverzekeringsarts overwogen, geen afwijkingen van betekenis gevonden zijn. Ook als er op foto’s of scans een toename van de degeneratieve afwijkingen zou worden gevonden dan kan hiermee nog niet de ernst van de klachten en geclaimde beperkingen worden verklaard. Overigens, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, hebben appellant en zijn behandelaars tot nu toe kennelijk geen aanleiding gezien voor nieuw onderzoek.De beperkingen samenhangend met de psychische problematiek acht de bezwaarverzekeringsarts juist omschreven in de FML. Er is geen sprake van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Er is ook geen sprake - zoals ook door psychiater Dijkstra onderschreven - van de noodzaak van een urenbeperking.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ten aanzien van de beoordeling van de medische grondslag van het bestreden besluit door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De verzekeringsartsen hebben voor appellant een aantal beperkingen vastgesteld in de FML met betrekking tot zijn mogelijkheden tot functioneren. Gezien het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen aan de rug en het niet onder behandeling zijn van appellant, houdt de Raad het niet voor onjuist dat hiervoor geen beperkingen zijn aangegeven. Het komt de Raad - net als de rechtbank en de door haar ingeschakelde deskundige - voor dat de psychische beperkingen van appellant niet zijn onderschat.

4.3. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de Raad afdoende overtuigend gemotiveerd dat voor zwaardere beperkingen geen objectief medische redenen bestaan.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ