Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09/1536 WAO + 09/1537 WAO + 09/1538 WAO + 09/1539 WAO + 09/1540 WAO + 09/1541 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Anticumulatie. Inkomsten zodanig dat WAO-uitkering niet tot uitbetaling komt. 2) Terugvordering. 3) Invordering. 4) Anticumulatie. Uitbetaling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. 5) WAO-uitkering komt weer tot volledige uitbetaling. 6) Nabetaling verrekend met terugvordering. Het Uwv heeft zijn handelwijze terecht gebaseerd op artikel 4 van de “Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid”. Bruto terugvordering.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1536, 09/1537, 09/1538, 09/1539, 09/1540, 09/1541 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2009, 08/142 + 08/385 + 08/386 + 08/497 + 08/1007 + 08/1008 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010, waar appellant en zijn gemachtigde met voorafgaand bericht niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Houtbeckers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sedert 24 augustus 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 29 juni 2002 was appellant werkzaam binnen het verband van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). In verband met de verdiensten uit die werkzaamheden is de uitkering van appellant diverse malen onder toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald als ware hij ingedeeld in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.

1.2. Bij besluit 22 augustus 2007 heeft het Uwv de uitbetaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2007 gewijzigd omdat appellant met ingang van die datum meer inkomsten uit arbeid heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 44 van de WAO wordt zijn uitkering niet uitbetaald, aangezien appellant op basis van zijn inkomsten eigenlijk minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 15 januari 2008 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde

WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 953,09 bruto. Bij besluit van 7 maart 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld, dat de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 612,92 netto (€ 953,09 bruto) in termijnen van € 125,- per maand zal worden ingehouden op zijn WAO-uitkering totdat de vordering in zijn geheel is voldaan. Het Uwv heeft, ondanks dat daarom is verzocht, geen acceptabel betalingsvoorstel van appellant ontvangen noch het formulier ‘Opgave sociaalfinanciële omstandigheden’.Bij besluit van 7 maart 2008 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit invorderingsbesluit ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het Uwv de uitbetaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2007 gewijzigd vanwege een wijziging in het inkomen. De WAO-uitkering van appellant wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 7 maart 2008 (bestreden besluit 4) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2007 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het Uwv de korting van appellants WAO-uitkering met ingang van 10 oktober 2007 laten vervallen, aangezien hij vanaf die datum geen inkomsten uit arbeid meer heeft. Zijn uitkering wordt met ingang van die datum weer volledig uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 26 juni 2008 (bestreden besluit 5) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.6. Bij besluit van eveneens 25 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat aan hem in verband met het vervallen van de korting op zijn uitkering per 10 oktober 2007 een bedrag van € 3.147,18 bruto (€ 2.008,52 netto) wordt nabetaald over de periode van 10 oktober 2007 tot 1 april 2008.Bij besluit van 26 juni 2008 (bestreden besluit 6) heeft het Uwv het bezwaar tegen laatstgenoemd besluit van 25 maart 2008 gegrond verklaard in die zin, dat alsnog wettelijke rente tot een bedrag van € 78,51 wordt toegekend. Dit bedrag wordt echter niet aan appellant uitbetaald, maar wordt aangewend ter verrekening van een gedeelte van de terugvordering.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 6 ongegrond verklaard.

3. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten 1 tot en met 6 in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

3.1. In hoger beroep is als kernpunt van de grieven aangegeven dat er een verkeerde toepassing is gegeven aan artikel 44 van de WAO. Appellant is regelmatig ziek geweest. In de periodes dat hij ziek was kreeg hij niet zijn volledige loon maar slechts 70% daarvan uitbetaald. Het Uwv is bij de berekening van de korting op de uitkering echter uitgegaan van het volledige loon. Het Uwv heeft zijn handelwijze gebaseerd op artikel 4 van de “Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid” (hierna: de Regeling), maar de situatie die daarin wordt geregeld is, aldus de gemachtigde van appellant, hier niet aan de orde. Voorts is aangevoerd dat de terugvordering gematigd zou moeten worden, in ieder geval tot het door appellant daadwerkelijk ontvangen nettobedrag. Het is niet de schuld van appellant dat er teveel is betaald.

3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de Regeling wel op de juiste wijze is toegepast. In artikel 4, eerste lid, van de Regeling worden verschillende situaties genoemd waarbij voor de toepassing van de anticumulatiebepalingen in de arbeidsongeschiktheidswetten wordt uitgegaan van het volle loon, terwijl in werkelijkheid niet het volle loon, maar slechts een percentage daarvan is uitbetaald. Een van die situaties betreft juist het geval dat niet het volle loon wordt uitbetaald vanwege ziekte van de werknemer.

3.3. Ook ten aanzien van de overige grieven over de hoogte van het teruggevorderde bedrag en de wijze van invordering onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de terug- en invordering op de juiste wijze hebben plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak vindt een terugvordering van teveel betaalde bedragen plaats op basis van het bruto bedrag, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Als wordt betaald binnen hetzelfde lopende boekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond, kan wel worden volstaan met terugbetaling van het netto bedrag, omdat het Uwv de loonheffing dan nog kan verrekenen met de belastingdienst. Als het boekjaar al is afgesloten kan dat niet meer. Dat is ook het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering (regeling van 31 maat 1999,

stcrt. 1999,75, zoals nadien gewijzigd). Uit de uitspraak van de Raad van 18 februari 2009 (LJN BH4066) blijkt dat er een vaste gedragslijn bij het Uwv bestaat, of heeft bestaan, inhoudend dat er ook een uitzondering wordt gemaakt op de regel dat alleen bij terugbetaling in het lopende boekjaar netto kan worden terugbetaald, als het aan het Uwv is te verwijten dat de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om het netto teveel betaalde bedrag in dat jaar terug te betalen. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Appellant is in de gelegenheid gesteld om het netto bedrag van € 612,92 nog in het jaar 2007 terug te betalen, maar appellant heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het Uwv was daarom gerechtigd om het bruto bedrag terug te vorderen. Overigens heeft appellant zelf wel de mogelijkheid om aan de belastingdienst om teruggave te vragen van eventueel teveel ingehouden loonheffing.

4. Uit hetgeen hiervoor onder 3 t/m 3.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR