Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
09/2161 WAZ + 09/2162 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAZ-uitkering. Chronische vermoeidheid tengevolge van oncologische behandelingen. Geen medische noodzaak is tot het (blijven) stellen van een urenbeperking. De voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt en de voorkomende signaleringen (ten teken dat sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante) zijn afdoende zijn gemotiveerd. 2) Na herbeoordeling ongewijzigd minder dan 25% arbeidsongeschikt. Voldoende medische grondslag. De voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt en de voorkomende signaleringen zijn afdoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2161 WAZ + 09/2162 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Assen van 12 maart 2009, 07/1049 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 12 maart 2009, 08/395 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.H.J. van Gastel.

II. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het hoger beroep met nummer 09/2162 WAZ

1.1. Appellante werkte gemiddeld 40 uur per week als zelfstandig eigenaar van een winkel in feestartikelen totdat zij op 12 mei 2001 uitviel vanwege een borsttumor in verband waarmee zij in juni 2002 is geopereerd. Per 11 mei 2002 is aan appellante een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Hierbij is een medische urenbeperking gehanteerd van 20 uur per week.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 12 november 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het besluit van 30 november 2006 tot intrekking van de WAZ-uitkering van appellante per 29 januari 2007 gehandhaafd.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met bepaling dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven. Tot die gegrondverklaring en vernietiging heeft zij aanleiding gezien in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen van 23 januari 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige Coerts van 13 mei 2008 waarin wordt aangegeven dat zij per 29 januari 2007 (en op 22 februari 2007) meer is beperkt respectievelijk dat de gewijzigde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, zij het dat de functie van receptionist (SBC-code 315150) dient te vervallen. Voorts heeft zij overwogen dat zij, in het kader van de vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand te laten, het medisch onderzoek naar de eventuele noodzaak een urenbeperking aan te nemen zorgvuldig acht en geen aanleiding tot twijfel ziet aan de juistheid van de FML van 23 januari 2008. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen afdoende heeft gemotiveerd dat er geen medische noodzaak is tot het stellen van een urenbeperking. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML, niet overschrijdt.

2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, nu het Uwv ten onrechte niet langer een urenbeperking heeft gehanteerd. Ter onderbouwing heeft zij wederom gewezen op de in eerste aanleg ingediende brief van de haar behandelend internist H. de Korte van 16 december 2008. De Korte stelt daarin dat bekend is dat na een oncologische behandeling vermoeidheid een blijvend symptoom kan zijn. Hoewel vermoeidheid moeilijk valt te meten is, zo stelt hij, er algemene erkenning voor het feit dat persisterende vermoeidheid een symptoom is dat frequent voorkomt na een behandeling zoals appellante die heeft ondergaan. Verder heeft appellante aangevoerd dat de bewaararbeidsdeskundige Coerts bij zijn beoordeling niet de juiste bepalingen van het Schattingsbesluit heeft toegepast.

3.1. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de verzekeringsartsen op goede gronden tot het oordeel zijn gekomen dat er geen medische noodzaak is tot het (blijven) stellen van een urenbeperking. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank ter zake en maakt deze tot de zijne. Wat betreft de verwijzing van appellante naar de jurisprudentie van de Raad waarin door de Raad is overwogen dat in kringen van oncologen en radiotherapeuten niet omstreden is dat in gevallen van chemotherapie of bestraling extreme vermoeidheidsklachten kunnen blijven bestaan en dat deze in een bepaald causaal verband staan met de ziekte, overweegt de Raad het volgende. Appellante doelt met name op de uitspraken van de Raad van 6 september 2000 (LJN AA8466) en van 2 april 2008 (LJN BC8545). Daarin heeft de Raad overwogen dat, gelet op de aanwezige informatie van de behandelende artsen, op toereikende wijze objectief is komen vast te staan dat de betrokkene in die zaken op de in geding zijnde datum als gevolg van zijn ziekte en in verband daarmee ondergane behandeling te kampen had met chronische vermoeidheid, waarvan hij nog in zodanige mate beperkingen ondervond dat hij buiten staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid in een grotere omvang dan x aantal uren per week. Deze overweging gaat echter niet op in het geval van appellante, nu uit de aanwezige medische stukken onvoldoende naar voren komt dat bij appellante op de datum in geding sprake was van een dergelijke chronische vermoeidheid terwijl het dagverhaal en de aard van de vermoeidheid evenmin erop duiden dat bij haar sprake is van ernstige chronische vermoeidheid ten gevolge van de oncologische behandelingen. De Raad is dan ook met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat niet objectief is komen vast te staan dat er bij appellante sprake is van vermoeidheidsklachten die nopen tot het stellen van een urenbeperking.

3.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de voorgehouden functies van produktiemedewerker industrie (SBC-code 111180), administratief medewerker (315090) en telefonist-receptionist (315120) in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellante en dat de voorkomende signaleringen (ten teken dat sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante) afdoende zijn gemotiveerd door de bezwaararbeidsdeskundige Coerts bij rapportage van 13 mei 2008.

3.3. Tenslotte is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Coerts terecht bij rapportage van 13 mei 2008 een arbeidskundige beoordeling heeft opgemaakt conform de bepalingen van het Schattingsbesluit in de aangepaste versie van 18 augustus 2004 (Stb. 434), in werking getreden per 1 oktober 2004.

4. Gelet op het bovenstaande slaagt dit hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.

Ten aanzien van het hoger beroep met nummer 09/2161 WAZ

5.1 Bij besluit van 12 november 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat, na medische en arbeidskundige herbeoordeling per 22 februari 2007 onder toepassing van de bepalingen van het oude Schattingsbesluit zoals deze golden tot 1 oktober 2004, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd minder dan 25% is.

5.2. Bij besluit op bezwaar van 25 maart 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

5.3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard. Hierbij is zij, onder dezelfde overwegingen als in de aangevallen uitspraak 1, tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit 2 op een juiste medische grondslag berust. Voorts heeft zij overwogen dat de grieven van appellante ten aanzien van de urenomvang van de maatman en de geschiktheid voor het eigen werk niet slagen.

6. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden aangevoerd als in het hoger beroep met nummer 09/2162, weergegeven onder 2.

7.1. Het bestreden besluit 2 is, evenals het bestreden besluit 1, gebaseerd op de medische beoordeling van bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen, neergelegd in de rapportage van 23 januari 2008. De bezwaarverzekeringsarts stelt vast dat de medische situatie van appellante van 29 januari 2007 tot 22 februari 2007 niet is gewijzigd, hetgeen door appellante niet is betwist, en acht de FML van 23 januari 2008 van toepassing op zowel 29 januari 2007 als 22 februari 2007. De Raad is, onder verwijzing naar zijn bovenvermelde overwegingen inzake het hoger beroep met nummer 09/2162 WAZ onder 3.1, van oordeel dat de door appellante in hoger beroep aangevoerde grond ten aanzien van de medische urenbeperking niet slaagt.

7.2. Voorts is de Raad van oordeel dat de voorgehouden functies van telefonist-receptionist (SBC-code 315120), produktiemedewerker industrie (111180) en administratief medewerker (315090) in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellante en dat de voorkomende signaleringen afdoende zijn gemotiveerd door de bezwaararbeidsdeskundige Coerts in zijn rapportage van 20 maart 2008.

7.3. Tenslotte is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Coerts terecht bij rapportage van 20 maart 2008 een arbeidskundige beoordeling heeft opgemaakt conform de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals die golden tot 1 oktober 2004.

7.4. Gelet op het hiervoor in 5.1 tot en met 7.3 overwogene dient de aangevallen uitspraak 2 te worden bevestigd.

8. De Raad acht in geen van beide zaken termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR