Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
08/3277 TW + 08/3325 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toeslag. Dubbel hoger beroep. Geen sprake van een bijzonder geval op grond waarvan de toeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. Verklaringen van betrokkene niet consistent. Niet kan worden staande gehouden dat betrokkene in haar directe omgeving geen mensen had op wie zij een beroep kon doen en niet in staat is geweest om met hulp van een of meer van diegenen eerder een toeslag aan te vragen.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3277 TW + 08/3325 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: [betrokkene])

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 april 2008, 07/1499, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 26 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld (08/3277 TW). Namens [betrokkene] is door mr. K.E.J. Dohmen, advocaat te Venlo, eveneens hoger beroep ingesteld (08/3325 TW).

Beide partijen hebben over en weer verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010. Voor het Uwv is verschenen mr. L.H.J. Ambrosius. [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen en T.H.H. Arts, financieel adviseur bij Arts Financieel Management Adviesbureau.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 3 april 2007 heeft [betrokkene] op grond van de Toeslagenwet per 1 januari 2002 een toeslag aangevraagd op de haar per 14 augustus 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende en sedertdien onveranderd voortgezette WAO-uitkering, welke in verband met inkomsten uit arbeid per 1 november 2000 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

1.2. Bij besluit van 20 april 2007 heeft het Uwv aan [betrokkene] per 3 april 2006 een (maandelijks, doch wegens op het moment van betaling nog bestaande onbekendheid met het totale inkomen van de desbetreffende maand als voorschot, te betalen) toeslag toegekend.

2. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het Uwv het bezwaar van [betrokkene] tegen het besluit van 20 april 2007 ongegrond verklaard onder overweging dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW op grond waarvan de toeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het besluit op bezwaar van 28 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

3.2.1. Het beroep van [betrokkene] op de uitspraak van de Raad van 16 maart 2007 (LJN BA0921) faalt, omdat de in dat geval voorliggende situatie wezenlijk anders was dan die welke thans aan de orde is, aangezien thans niet vastligt en [betrokkene] ook niet kan aantonen dat zij al vóór (het telefoongesprek op) 26 maart 2007 aan het Uwv vragen heeft gesteld die het Uwv ertoe hadden dienen aan te zetten haar toen een formulier voor het aanvragen van de toeslag toe te sturen en in staat te stellen eerder een aanvraag in te dienen.

3.2.2. Op grond van de door [betrokkene] overgelegde verklaringen van haar huisarts, de afdelingsmanager van haar werk, haar zus en de haar ondersteunende dienstverlener, in onderlinge samenhang bezien, dient te worden geconcludeerd dat zij gezien haar beperkte geestelijke bagage niet in staat moet worden geacht te zijn geweest om vóór 3 april 2007 zelf de toeslag aan te vragen dan wel door iemand anders te laten aanvragen, zodat er sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld en bijgevolg de toeslag per 1 januari 2002 had dienen te worden toegekend.

Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. [betrokkene] heeft (kennelijk) wel bemerkt dat het vanaf 2001/2002 voor haar moeilijk werd om financieel rond te komen, maar zij was - zo volgt uit de evenvermelde verklaringen - zonder hulp niet in staat dit te relateren aan het eventuele gemis van een toeslag. Dat [betrokkene] blijkens die verklaringen verder “in een eigen wereld leeft” en moeilijk naar buiten treedt, heeft er kennelijk toe geleid dat zij ook niet in staat was hulp van een derde in te roepen. De dienstverlener heeft in 2007 enkel op verzoek van de zus ondersteuning aan [betrokkene] geboden; het initiatief daartoe heeft niet bij [betrokkene] zelf gelegen.

4.1. Het Uwv heeft zich in hoger beroep gesteld op het standpunt dat de rechtbank op onjuiste gronden tot haar oordeel is gekomen. Daartoe heeft het Uwv gewezen op het volgende.

4.2. In het arbeidskundige rapport van 20 juni 2000 is vermeld dat ook de vader van [betrokkene] bij het gesprek op 14 juni 2000 met de arbeidsdeskundige aanwezig is geweest. Uit dat rapport blijkt niet dat haar geestelijke vermogens beperkt zijn, wel dat haar opleidingsniveau niet hoog is en haar visus beperkt is, redenen waarom toen geen functies te duiden zijn geweest. [betrokkene] is sinds 4 september 2000 werkzaam bij de [naam werkgever] (in WSW-verband), aanvankelijk 32, sedert 1 november 2000 18 uur per week. In het arbeidskundige rapport van 11 november 2005 is vermeld dat ook de vader van [betrokkene] bij het gesprek met de arbeidsdeskundige aanwezig is geweest, dat de voornaamste klachten de heup en de visus betroffen, dat op het persoonlijk functioneren twee beperkingen zijn gegeven en dat [betrokkene] op 16 november 2005 een eerste gesprek zal hebben met een bedrijfspsycholoog. Vanwege de heup- en visusklachten, het opleidingsniveau en het voorkomen van deadlines dan wel hoog tempo zijn er toen geen functies te duiden geweest. Uit dit rapport blijkt niet dat er aanwijzingen zijn dat [betrokkene] over beperkte geestelijke vermogens beschikt. Uit de verklaring van de zus van [betrokkene] blijkt dat [betrokkene] eind 2006 de hulp van die zus heeft ingeroepen en komt naar voren dat [betrokkene] moeite heeft met het maken van contact met anderen, zoals ook door de ondersteuner beschreven. Uit het vorenstaande volgt, aldus het Uwv, dat [betrokkene] tot driemaal toe familieleden heeft benaderd om mee te gaan naar de arbeidsdeskundige (vader tweemaal) respectievelijk bij het Uwv na te gaan of de hoogte van de WAO-uitkering aan haar wel juist is (zus eenmaal), zodat zij wel degelijk in staat was te achten om vóór 3 april 2007 een toeslag aan te vragen. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv daaraan toegevoegd dat blijkens de gedingstukken de broer van [betrokkene] zich op 1 mei 2007 telefonisch tot het Uwv heeft gewend met de vraag of er nog een besluit volgt op de aanvraag van [betrokkene] om de toeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht toe te kennen. Bij het vorenstaande komt nog, aldus voorts het Uwv, dat niet is gebleken van psychische klachten in de periode van 1 januari 2002 tot 16 november 2005.

5. [betrokkene] heeft zich in hoger beroep gesteld op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de toeslag per 1 januari 2001 had dienen te worden toegekend.

6.1. De Raad overweegt als volgt, allereerst wat het hoger beroep van het Uwv betreft.

6.2.1. Gelijk de rechtbank heeft overwogen kan op grond van de gedingstukken niet worden aangenomen dat [betrokkene] zich al vóór 26 maart 2007 tot het Uwv heeft gewend. Daarin is ook het wezenlijke verschil gelegen met de situatie die heeft voorgelegen in de (hiervoor vermelde) uitspraak van de Raad van 16 maart 2007 waarop [betrokkene] in de beroepsfase een beroep heeft gedaan. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van [betrokkene] op die uitspraak niet gehonoreerd.

6.2.2. In de beroepsfase heeft [betrokkene] de - niet onderbouwde - stelling opgeworpen dat zij sedert 2001 diverse malen aan medewerkers van het Uwv heeft kenbaar gemaakt dat zij financieel niet of nauwelijks meer kan rondkomen. Die stelling staat op gespannen voet met en doet afbreuk aan haar stelling dat zij als gevolg van met name haar beperkte opleidingsniveau en taalachterstand niet in staat kan worden geacht te zijn geweest om eerder dan op 3 april 2007 de toeslag aan te vragen.

6.2.3. Maar zo [betrokkene] wordt gevolgd in haar stelling dat zij zelf niet in staat kan worden geacht te zijn geweest om eerder dan op 3 april 2007 de toeslag aan te vragen, is de Raad - anders dan de rechtbank - op grond van met name de hiervoor vermelde gegevens van oordeel dat zij daartoe met behulp van het haar omringende steunsysteem (met name haar vader, zuster en broer) wel in staat moet worden geacht te zijn geweest. [betrokkene] heeft - eerst in het tweede deel van de beroepsfase, na de schorsing door de rechtbank van de behandeling ter zitting op 20 februari 2008 - weliswaar gesteld dat zij steeds een afwerende houding heeft aangenomen tegenover mensen in haar omgeving die haar wilden helpen met kwesties als thans aan de orde, maar die houding heeft er (afgaande op de gedingstukken) niet aan in de weg gestaan dat haar vader op 14 juni 2000 en 11 november 2005 aanwezig was bij het gesprek dat zij met een arbeidsdeskundige heeft gehad, zij eind 2006 de hulp heeft ingeroepen van een zus die haar in contact heeft gebracht met Arts en haar broer voor haar actie heeft ondernomen door op 1 mei 2007 telefonisch contact op te nemen met het Uwv over de kwestie van de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002. Daarbij komt dat in het aanvullende beroepschrift van 6 november 2007 is vermeld dat [betrokkene] zich uiteindelijk genoodzaakt heeft gezien een derde (Arts) in te schakelen en dat het voor haar al een hele stap was om zich tot een derde te wenden (alsook dat zij buiten die derde niemand had om haar belangen te behartigen en een aanvraag om een toeslag voor haar in te dienen, wat op gespannen voet staat met de hiervoor vermelde bijstand door de vader, een zus en een broer). De door en voor [betrokkene] in de loop van de verschillende procedures afgelegde verklaringen missen consistentie. Maar wat daarvan verder ook zij, niet kan worden staande gehouden dat [betrokkene] in haar directe omgeving geen mensen had op wie zij een beroep kon doen en niet in staat is geweest om met hulp van een of meer van diegenen eerder dan op 3 april 2007 een toeslag aan te vragen.

7. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt, bijgevolg dat het hoger beroep van [betrokkene] faalt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep, ingesteld tegen het besluit van 28 augustus 2007, ongegrond moet worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM