Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-6272 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen proceskostenveroordeling. De opheffing van de schorsing en de hervatting van de betaling kan niet worden aangemerkt als een tegemoetkoming aan het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 mei 2007. Dat voor appellante met de hervatting van de betaling materieel bezien eenzelfde resultaat is bereikt als zij met haar beroep heeft willen bereiken, doet aan het vorenstaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6272 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Polen (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2008, 07/3680 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 juli 2006 is aan appellante, destijds woonachtig in Nederland, met ingang van september 2006 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

1.2. Na een melding van de Gemeentelijke Basisadministratie en nader onderzoek door de Svb is gebleken dat appellante per april 2007 is uitgeschreven op het bij de Svb bekende adres en met onbekende bestemming is vertrokken, terwijl de Svb niet is geïnformeerd over de wijziging in haar omstandigheden. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat met ingang van juni 2007 de betaling van haar AOW-pensioen wordt geschorst. Dit besluit is verzonden aan het oude adres van appellante en desgevraagd door de ex-echtgenoot van appellante, die ook niet op de hoogte was van het verblijfadres van appellante, doorgezonden aan haar advocaat. Op 6 juli 2007 is namens appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting van 3 augustus 2007 heeft de gemachtigde van appellante de gegevens van appellantes verblijfplaats aan de Svb overgelegd. Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat de betaling van haar AOW-pensioen is hervat met ingang van 1 juni 2007 en dat voorts een nabetaling zal plaatsvinden over de periode van juni 2007 tot en met juli 2007.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 7 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2007 ongegrond verklaard. Voorts is het verzoek om een vergoeding voor de gemaakte kosten in de bezwaarprocedure afgewezen.

1.4. Bij brief van 19 september 2007 heeft de Svb desgevraagd onder andere een kopie van het besluit van 10 augustus 2007 aan de gemachtigde van appellante toegezonden.

1.5. Bij faxbericht van 18 september 2007 is namens appellante beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het bestreden besluit. Bij brief van 16 juni 2008 heeft de gemachtigde van appellante het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek de Svb te veroordelen in de proceskosten. Hierbij is aangegeven dat de gemachtigde van appellante pas nadat hij beroep had ingesteld bij de rechtbank bekend is geworden met het besluit van 10 augustus 2007 waarin de betaling van het AOW-pensioen aan appellante is hervat.

2. De rechtbank heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen omdat niet kan worden gesteld dat de Svb aan het beroep van appellante is tegemoetgekomen.

3. In hoger beroep is namens appellante herhaald dat de Svb door middel van het hervattingsbesluit van 10 augustus 2007 is tegemoetgekomen aan haar beroep.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of de rechtbank de Svb met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten veroordelen in de proceskosten. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank, ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de kosten die de indiener in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.3. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag de bevoegdheid van de Svb om de betaling van het AOW-pensioen te schorsen omdat appellante met onbekende bestemming van het bij de Svb bekende woonadres was vertrokken en haar AOW-pensioen daardoor mogelijk niet meer rechtmatig betaalbaar gesteld kon worden. Daargelaten de vraag of appellante reeds tijdens de bezwaarprocedure dan wel eerst in de beroepsfase bekend is geworden met het hervattingsbesluit van 10 augustus 2007, impliceert de omstandigheid, dat de Svb op grond van namens appellante tijdens de bezwaarfase naar voren gebrachte informatie de schorsing van de betaling van het AOW-pensioen heeft opgeheven, op geen enkele wijze dat de Svb is teruggekomen van het eerder door haar op 25 mei 2007 ingenomen standpunt dat er op dat moment voldoende grond was om tot schorsing van het AOW-pensioen over te gaan. De opheffing van de schorsing en de hervatting van de betaling kan dan ook niet worden aangemerkt als een tegemoetkoming aan het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 mei 2007. Dat voor appellante met de hervatting van de betaling materieel bezien eenzelfde resultaat is bereikt als zij met haar beroep heeft willen bereiken, doet aan het vorenstaande niet af.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

RB