Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-3614 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ziekengeld meer toegekend. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de bva in het rapport van 24 april 2008 wel voldoende inzichtelijk gemotiveerd heeft toegelicht waarom de bevindingen van dr. Demirham geen reden vormden om betrokkene op de datum in geding in medisch opzicht meer beperkt te achten. De bva motiveert zijn van Demirham afwijkend oordeel nu namelijk meer inhoudelijk door erop te wijzen, dat uit diens bevindingen niet blijkt van enige klinisch waarneembare wortelprikkeling of -uitval. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de door de verzekeringsarts bij de behandelende neurologen P.C.G. Nijssen en N.M. Vlam ingewonnen informatie blijkt dat geen neurologische oorzaak voor de klachten kon worden aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3614 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juni 2008, 07/4115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.E.M. Lucassen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene was laatstelijk in 2005 via een uitzendbureau werkzaam als inpakster. Aansluitend aan de beëindiging van haar werkzaamheden is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt. Vanuit deze werkloosheidssituatie heeft zij zich per 9 mei 2006 ziekgemeld met arm- en schouderklachten (rechts) en duizeligheid. In verband hiermee is haar door appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft appellant betrokkene ingaande 4 juni 2007 verder ziekengeld geweigerd. De verzekeringsarts heeft hiervoor als motivering gegeven dat de aspecifieke klachten bij gebreke van belangrijke functieafwijkingen bij specialistisch onderzoek geen reden vormen ongeschiktheid tot werken aan te nemen. De verzekeringsarts heeft daarbij betrokken dat het eigen werk van inpakker als fysiek licht werk is te beschouwen.

1.4. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt en daarbij een in het Turks gestelde verklaring van de radioloog dr. N. Demirham met een Engelse vertaling van diens conclusie overgelegd. Betrokkene is op 6 augustus 2007 door de bezwaarverzekeringsarts gezien. Deze arts heeft op basis van zijn eigen bevindingen en de bevindingen van de verzekeringsarts en gelet op de informatie van de behandelende specialisten op 20 augustus 2007 gerapporteerd dat de verzekeringsarts zorgvuldig heeft gehandeld. Tevens heeft hij diens bevindingen en conclusies onderschreven. De informatie van

dr. Demirham geeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding tot een ander oordeel.

1.5. Bij besluit van 28 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard.

1.6. Hiertegen is beroep ingesteld. Op verzoek van de rechtbank is een integrale Nederlandse vertaling van het onder 1.4 genoemde radiologische rapport door de gemachtigde van betrokkene ingezonden. Appellant heeft daarop gereageerd met het inzenden van een rapport van 24 april 2008 van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu de bezwaarverzekeringsarts constateert dat volgens de Turkse arts - dr. Demirham - sprake is van een ernstiger aandoening dan uit eerdere onderzoeken is gebleken, voldoende inzichtelijk diende te worden gemotiveerd waarom betrokkene desondanks niet arbeidsongeschikt werd geacht. De enkele stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat overleg plaatsvond met neurologen en dat de klachten van betrokkene stationair zijn gebleven, is onvoldoende, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant aldus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft beslist.

2.2. Vervolgens heeft de rechtbank bezien of er aanleiding was om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 24 april 2008 niet voldoende inzichtelijk heeft toegelicht waarom aan de conclusie van de Turkse arts geen betekenis toekomt. Niet duidelijk is in hoeverre en op welke wijze de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van voornoemde arts heeft meegewogen bij zijn advies. Dat de diagnose niet bepalend is laat volgens de rechtbank onverlet dat op een inzichtelijk wijze dient te worden gemotiveerd waarom betrokkene ondanks de diagnose van die arts toch arbeidsgeschikt wordt geacht voor haar werk.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep met verwijzing naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, zoals weergegeven in diens rapporten van 20 augustus 2007 en 24 april 2008, betoogd dat door de bezwaarverzekeringsarts voldoende uitvoerig is gemotiveerd waarom het röntgenologisch onderzoek en de conclusies daaruit van dr. Demirham geen aanleiding vormden tot het stellen van zwaardere beperkingen. Het Uwv heeft primair verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het beroep alsnog ongegrond te verklaren en subsidiair de Raad gevraagd de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3.2. Betrokkene heeft zich blijkens het verweerschrift geschaard achter het oordeel van de rechtbank en aangegeven dat door het Uwv in hoger beroep geen nieuwe dan wel anderszins aanvullende argumenten naar voren zijn gebracht.

4.1. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank betreffende de deugdelijkheid van de in de bezwaarfase geven reactie van de zijde van het Uwv op het rapport van Demirham. De Raad hecht in het bijzonder gewicht aan de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts bij haar oordeelsvorming in de bezwaarfase slechts beschikte over de Engelse vertaling van de conclusies van dr. Demirham en aldus onvoldoende op de bevindingen van die radioloog kon reageren. In zoverre treft het hoger beroep geen doel.

4.2. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 24 april 2008 wel voldoende inzichtelijk gemotiveerd heeft toegelicht waarom de bevindingen van dr. Demirham geen reden vormden om betrokkene op de datum in geding in medisch opzicht meer beperkt te achten. De bezwaarverzekeringsarts motiveert zijn van Demirham afwijkend oordeel nu namelijk meer inhoudelijk door erop te wijzen, dat uit diens bevindingen niet blijkt van enige klinisch waarneembare wortelprikkeling of -uitval. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de door de verzekeringsarts bij de behandelende neurologen P.C.G. Nijssen en N.M. Vlam ingewonnen informatie blijkt dat geen neurologische oorzaak voor de klachten kon worden aangewezen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad zal nu een adequate reactie wel, maar eerst in beroep, is gegeven tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM