Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
09-3364 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Juistheid medische grondslag. Geen sprake van een ernstige psychiatrische stoornis. Juist vastgestelde belastbaarheid in FML Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3364 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2009, 08/1424

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij schrijven van 14 december 2009 nog een stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. El Ahmadi, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is vanwege psychische klachten op 20 juni 2000 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als machinebediende. Het Uwv heeft appellant ingaande 24 juni 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

2. Bij besluit van 11 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 18 april 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ingaande 12 september 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist geacht.

4. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat uit de door hem in beroep overgelegde medische informatie blijkt dat hij ten aanzien van de onderrug zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv. Er is sprake van scheurtjes en slijtage in de ruggenwervels, die ernstige gevolgen kunnen meebrengen voor het zenuwstelsel. Voorts heeft appellant onder verwijzing naar een op 13 december 2009 gedateerd behandelplan van de psycholoog S. Essaitibi en de psychiater K. Gokoel betoogd dat zijn psychische beperkingen niet juist zijn vastgesteld door het Uwv.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vooreerst vast dat het schrijven van appellant van 14 december 2009, met aangehecht een behandelplan van 13 december 2009, bij de Raad is binnengekomen met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. Nu het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd heeft aangegeven geen bezwaar te maken tegen de indiening van dit stuk, zal de Raad dit stuk bij zijn oordeelsvorming betrekken.

5.2. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel. De verzekeringsarts heeft op grond van dossieronderzoek en eigen onderzoek vastgesteld dat appellant in zijn belastbaarheid beperkt is ten gevolge van chronische pijnklachten bij een milde depressie en nierstenen. De verzekeringsarts constateerde dat er enige discrepantie was tussen de ervaren klachten en de objectief vast te stellen beperkingen. Appellant werd door hem geschikt bevonden voor weinig stressvolle, niet al te rugbelastende arbeid. In verband met de duizeligheidsklachten heeft de verzekeringsarts appellant beperkt geacht voor werk op gevaar opleverende plaatsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft na dossieronderzoek, spreekuurcontact en weging van ontvangen medische informatie van de huisarts en behandelend fysiotherapeut reden gezien de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te vullen met een beperking voor taken die een beroep doen op een goed geheugen. Voor het overige heeft de bezwaarverzekeringsarts de door de verzekeringsarts opgestelde FML gehandhaafd. De in beroep in geding gebrachte informatie van dr. B. Dorzee van 19 juni 2008 en de verwijsbrief van de huisarts hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen. Blijkens zijn rapportage van 18 juli 2008 stelt de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt dat de CT-scan geen belangwekkende afwijkingen aan de onderrug toont en dat ook de behandelend neuroloog geen (neurologische) verklaring heeft kunnen vinden voor de rugklachten van appellant met uitstraling in het rechterbeen. Dit standpunt komt de Raad niet onjuist voor. Met betrekking tot de geclaimde psychische beperkingen overweegt de Raad dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek hebben vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. De Raad is uit het in hoger beroep in geding gebrachte behandelplan van de behandelend psycholoog S. Essatibi en psychiater K. Gokoel niet gebleken dat het Uwv de ernst van de psychische beperkingen van appellant heeft miskend. Nog daargelaten het feit dat het behandelplan geen betrekking heeft op de periode in geding, overweegt de Raad dat het in het behandelplan geschetste beeld van appellant grotendeels overeenstemt met het beeld dat de verzekeringsartsen van appellant hebben en dat ook de behandelend psycholoog en psychiater geen psychotische kenmerken hebben vastgesteld noch beperkingen ten aanzien van aandacht, bewustzijn en oriƫntatie.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in FML van 15 april 2008 is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Het Uwv heeft bij rapportage van 4 juli 2007 en notities functiebelasting van 15 juni 2007 van de arbeidsdeskundige E. Ekkelenkamp en bij rapportage van 17 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

5.4. Uit hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) J. Riphagen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EK