Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-1692 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het nadere standpunt van het Uwv oordeelt de Raad dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Een en ander betekent dat de WAZ-uitkering van appellant ook op en na 10 maart 2007 blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Proceskostenveroordeling beroep en hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1692 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de (gerectificeerde) uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 januari 2008, 07/563 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.S. Beumer, werkzaam bij accon avm adviseurs en accountants, gevestigd te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is gereageerd op het verweerschrift van het Uwv.

Bij brief van 1 september 2009 heeft het Uwv hem door de Raad gestelde vragen beantwoord en bij brief van 9 september 2009 desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het Uwv de aan appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekende uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de WAZ-uitkering van appellant herzien met ingang van 10 maart 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Tot 10 maart 2007 blijft de uitkering van appellant gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft daarmee het besluit van 18 mei 2006 herroepen.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 20 februari 2007 beroep ingesteld. Dit beroep was niet gericht tegen de herroeping van het besluit van 18 mei 2006, maar tegen de herziening van zijn WAZ-uitkering met ingang van 10 maart 2007 (hierna: bestreden besluit). De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Appellant heeft daarbij onder meer gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv zijn gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum van 10 maart 2007 niet onjuist heeft ingeschat en ten onrechte het Uwv niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten die hij in bezwaar heeft gemaakt en van de kosten van de door hem ingebrachte verklaring van de neuroloog H.J.D. de Zwart.

4. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv te kennen gegeven het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 10 maart 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% niet langer te handhaven omdat daarvoor na heroverweging niet meer een deugdelijke grondslag aanwezig wordt geacht. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte zijn in bezwaar gemaakte kosten niet heeft betrokken bij haar beslissing ter zake van de proceskosten, heeft het Uwv, onder verwijzing naar artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangegeven dat appellant niet eerder dan in de fase van het beroep bij de rechtbank om vergoeding van die kosten heeft verzocht. Met betrekking tot de kosten ter zake van de verklaring van de neuroloog De Zwart, tot een bedrag van € 44,-, is het Uwv de opvatting toegedaan dat die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. Gelet op het nadere standpunt, zoals door het Uwv ter zitting naar voren is gebracht, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, waarbij de WAZ-uitkering van appellant is herzien met ingang van 10 maart 2007, in rechte geen stand kan houden. Het hoger beroep van appellant treft derhalve doel, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Een en ander betekent dat de WAZ-uitkering van appellant ook op en na 10 maart 2007 blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

5.2. Het in 5.1 overwogene brengt mee dat de Raad geen grond ziet voor het inhoudelijk behandelen van de overige door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden. Wel dient de Raad zich nog uit te spreken over de gronden die door appellant zijn aangevoerd tegen de door de rechtbank gegeven beslissing tot veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.

5.3. Met betrekking tot de door de rechtbank gegeven beslissing tot veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,- ter zake van verleende rechtsbijstand, overweegt de Raad als volgt. De door appellant in bezwaar gemaakte kosten zijn naar het oordeel van de Raad terecht niet in deze beslissing van de rechtbank opgenomen omdat appellant, naar het Uwv terecht heeft aangevoerd, pas in de fase van het beroep bij de rechtbank voor het eerst om vergoeding van die kosten heeft verzocht, terwijl artikel 7:15, derde lid, van de Awb als eis stelt dat dit verzoek wordt gedaan voordat het desbetreffende bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Met appellant en het Uwv is de Raad echter wel van oordeel dat de kosten van de in beroep door appellant overgelegde verklaring van de neuroloog De Zwart voor vergoeding in aanmerking komt, zodat ook deze beslissing van de rechtbank geen stand kan houden en dient te worden vernietigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 366,- (€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 44,- voor kosten van de onder 5.3 bedoelde medische verklaring) en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 688,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daar bij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het Uwv is veroordeeld in de proceskosten van appellant;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 688,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM