Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
07-7139 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-opleggen van een loonsanctie en vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15%. Het Uwv heeft terecht aangegeven, dat het alsnog opleggen van een loonsanctie in het kader van de WAO volgens de jurisprudentie van de Raad in strijd met deze wet zou zijn, aangezien in elke sanctie de minimumsanctie van vier maanden is vervat. Zie LJN AV2317, 22-02-2006. In LJN AZ4962, AZ4979 en AZ5061, 20-12-2006, heeft de Raad geoordeeld dat daaruit volgt dat van het Uwv niet kan worden gevergd alsnog een (loonsanctie)besluit te nemen. De Raad is van oordeel dat reeds op deze grond de beslissing van het Uwv om geen loonsanctie op te leggen de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Vermoeden schending redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7139 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (België), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2007, 06/4285 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding op de zitting van 9 juli 2009 van de meervoudige kamer van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Partijen hebben vervolgens vragen beantwoord.

De meervoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat onderzoek ter - nadere - zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten

II. OVERWEGINGEN

1.1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het niet-opleggen van een loonsanctie en tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO per 6 november 2003 (op minder dan 15%) ongegrond verklaard. Dit besluit was genomen ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2006, waarbij het beroep van appellant tegen een eerder besluit op bezwaar van 23 juli 2004 gegrond was verklaard en dat besluit was vernietigd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen, dat het Uwv niet in strijd met artikel 7:2, eerst lid, van de Awb heeft nagelaten appellant opnieuw te horen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld, dat het Uwv de werkgever van appellant terecht geen loonsanctie heeft opgelegd omdat niet viel in te zien dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever in redelijkheid niet meer als voldoende zouden kunnen worden aangemerkt.

3.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant daartegen aangevoerd, dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak op de stelling van appellant in beroep, dat appellant bij de voorbereiding van de nieuwe beslissing op bezwaar niet is gehoord en ook anderszins geen informatie bij hem is ingewonnen, niet althans onvoldoende is ingegaan. Voorts is van de zijde van appellant naar voren gebracht, dat de rechtbank de beslissing van het Uwv om de werkgever geen loonsanctie op te leggen slechts marginaal heeft getoetst. Daarbij is aan de stelling van appellant voorbij gegaan, dat het Uwv er ten onrechte vanuit is gegaan, dat appellant het werk op de door de werkgever aangegeven wijze zou hebben hervat.

3.2. Voorts heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Het gaat in dit geding allereerst om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar van 11 juli 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 februari 2004 ongegrond heeft verklaard, kan worden gevolgd.

4.2. De Raad overweegt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak met verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de stelling van appellant, dat hij bij de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar ten onrechte niet is gehoord, niet slaagt. Hetgeen appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn standpunt in beroep, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel gebracht dan de rechtbank.

4.3. De Raad kan en zal in het midden laten wat er zij van het oordeel van het Uwv om geen loonsanctie op te leggen omdat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in een schrijven van

24 augustus 2009 terecht aangegeven, dat het alsnog opleggen van een loonsanctie in het kader van de WAO volgens de jurisprudentie van de Raad in strijd met deze wet zou zijn, aangezien in elke sanctie de minimumsanctie van vier maanden is vervat. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 februari 2006, LJN AV2317, waarin is beslist dat de minimumsanctie van 4 maanden loondoorbetaling in strijd is met artikel 71a, negende lid, van de WAO. In zijn uitspraken van 20 december 2006, LJN AZ4962, AZ4979 en AZ5061, heeft de Raad geoordeeld dat daaruit volgt dat van het Uwv niet kan worden gevergd alsnog een (loonsanctie)besluit te nemen. De Raad is van oordeel dat reeds op deze grond de beslissing van het Uwv om geen loonsanctie op te leggen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.4. Gelet op het hiervoor overwogene komt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard, zij het op geheel andere gronden dan de Raad, zodat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

5.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 6.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat (het ministerie van Justitie).

5.4. Voor het voorliggende geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 16 februari 2004 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak is ruim zes jaar verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 13 augustus 2004 tot de uitspraak op 6 maart 2006 meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank en het daarop volgende hoger beroep vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 augustus 2006 tot de datum van deze uitspraak hebben samen meer dan drie en een half jaar jaar geduurd. Nu de langere behandelingsduur in de rechterlijke fase niet de totale overschrijding van de behandelingsduur van ruim zes jaar kan verklaren, kan aan deze vaststellingen het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

5.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 10/967 BESLU en 10/968 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL