Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-6609 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling: herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Geen twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. De informatie van de longarts leidt niet tot een ander oordeelnu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. In de FML is met de beperkingen in de fysieke belastbaarheid in voldoende mate rekening gehouden. Arbeidskundige grondslag: Genoegzaam is gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6609 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 oktober 2008, 08/269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in november 1999 wegens longklachten uitgevallen voor zijn werk als visfileerder. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is aan appellant met ingang van 9 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Appellant is vervolgens in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 herbeoordeeld, in welk verband hij op 17 augustus 2006 is onderzocht door de verzekeringsarts T. Elbertsen. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 augustus 2006. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige F. Luijkx op 30 september 2006 een rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op circa 23%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 9 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 augustus 2007 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat hij meer beperkt moet worden geacht dan door het Uwv is aangenomen, met name omdat appellant kortademig is en pijn op de borst en bij de wervelkolom heeft. Bij inspanning is sprake van een duidelijke dyspnoe en zijn er obstructieve afwijkingen. Ter onderbouwing heeft appellant een brief van de longarts M. Perez y Perez van 15 december 2008 overgelegd.

3.2. De Raad overweegt als volgt.

3.3. De Raad ziet – evenals de rechtbank – geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellant. Daartoe overweegt de Raad dat verzekeringsarts Elbertsen op grond van lichamelijk en psychisch onderzoek van appellant en de informatie van de longarts B.M. Santana – waaruit blijkt dat appellant lijdt aan rhinitis en een lichte bronchusobstructie op basis van allergie voor huisstofmijten – heeft geconcludeerd dat appellant beperkt wordt geacht voor fysiek zware arbeid en lichamelijke piekbelastingen. Tevens is appellant aangewezen op een niet stoffige werkomgeving, waarbij hij wel in staat wordt geacht deadlines of een snel handelingstempo te hanteren, zolang de fysieke belasting maar niet te hoog wordt. De bezwaarverzekeringsarts Y. van der Voort heeft dossierstudie verricht en appellant op het spreekuur van 17 oktober 2007 lichamelijk onderzocht, waarbij geen duidelijke afwijkingen zijn geconstateerd, behoudens een matige conditie. Bij rapportage van

6 december 2007 heeft bezwaarverzekeringsarts Van der Voort geconcludeerd dat er geen redenen zijn om meer beperkingen aan te nemen dan reeds door de verzekeringsarts zijn vastgesteld. De later ingekomen informatie van de huisarts van 30 november 2007, waaruit blijkt dat de bij longonderzoek in 2007 gemeten matige obstructie met medicatie verbeterde, leidt niet tot een verandering in de belastbaarheid van appellant nu hij met enige beperkingen ten aanzien van inspanning in staat moet worden geacht om arbeid te verrichten, aldus Van der Voort.

3.4. De in hoger beroep overgelegde informatie van de longarts kan naar het oordeel van de Raad niet tot een ander oordeel leiden nu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van der Voort van 22 mei 2009, de longarts tot de conclusie is gekomen dat bij appellant sprake is van een licht obstructief gestoorde longfunctie, maar dat de verzekeringsarts daarmee in de FML, door het aangeven van beperkingen in de fysieke belastbaarheid, in voldoende mate rekening heeft gehouden. Dat in het algemeen mensen met klachten van astma bronchiale klachten kunnen ontwikkelen op a-specifieke prikkels, heeft volgens de bezwaarverzekeringsarts geen betrekking op appellant, nu bij hem specifiek sprake is van een allergie voor huisstofmijt, waarbij Van der Voort nog heeft opgemerkt dat de mate van prikkelende stoffen in de aan appellant voorgehouden functies nihil is. In hetgeen overigens door appellant in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen.

3.5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad als volgt.

3.6. De Raad stelt vast dat de schatting – zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper van 4 januari 2008 – uiteindelijk berust op de functies productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172), productiemedewerker papier/karton/drukkerij (sbc-code 111174) en productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (sbc-code 111171). Schipper heeft deze functies met inachtneming van de FML van 17 augustus 2006 beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25 tot 35%.

3.7. Gelet op de onder 3.6 genoemde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, aangevuld met de rapportage van 27 oktober 2009, is de Raad van oordeel dat genoegzaam is gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant. Met betrekking tot de toelichting “niet de hele dag door” bij enkele aspecten in de FML, merkt de Raad, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 1 oktober 2009, nog op dat hiermee is aangegeven dat appellant niet méér beperkt wordt geacht dan hetgeen waarmee hij overeenkomstig de normaalwaarde kan worden belast. De normaalwaarde geldt hier als bovengrens van de belastbaarheid. Van verborgen beperkingen is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.

4. Hetgeen onder 3.3 tot en met 3.7 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellant per 29 augustus 2007 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR