Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-3959 ANW + 09-5750 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Na nader onderzoek opnieuw weigering ANW-uitkering omdat appellante noch een ongehuwd kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar, noch meer dan 45% arbeidsongeschikt is, noch geboren is vóór 1950. Minder dan 15% arbeidsongeschikt: de nadien aan hem toegezonden vertalingen van de rapportages van de medisch specialisten in Turkije hebben de verzekeringsarts niet tot wijziging van zijn conclusie gebracht. Er bestaat onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aan de juistheid en volledigheid van de medische beperkingen. De arbeidskundige heeft de geselecteerde functies voldoende omschreven en -waar nodig- toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3959 ANW

09/5750 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2007, 05/5849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en tevens een nieuw besluit op bezwaar van

30 december 2008 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft na het overlijden van haar echtgenoot, [in] 2003, een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.

Op het aanvraagformulier heeft zij ingevuld niet door ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk ongeschikt te zijn voor het verrichten van arbeid buiten haar huishouding.

1.2. Bij besluit van 25 november 2004 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen, onder overweging dat zij noch een ongehuwd kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar, noch meer dan 45% arbeidsongeschikt is, noch geboren is vóór 1950.

1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft de Svb bij besluit van 14 november 2005 het besluit van 25 november 2004 ingetrokken en aangekondigd dat een nader onderzoek zal volgen naar appellantes arbeidsongeschiktheid.

1.4. Vervolgens heeft de Svb, op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), bij besluit van 2 februari 2007 de aanvraag om een nabestaandenuitkering opnieuw afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 februari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Voorts is de Svb opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de conclusie van de verzekeringsarts Bouwman is gebaseerd op onder meer de rapportage van de Keciören Polikliniek te Ankara, aangevuld met rapporten van enkele medisch specialisten. Deze rapporten zijn echter niet voorzien van vertalingen uit het Turks, waardoor het naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk is op grond van welke medische gegevens de verzekeringsarts de beperkingen van appellante heeft vastgesteld. Bovendien ontbreekt aan de rapportage van de arbeidsdeskundige S.L. Koot een omschrijving van de geduide functies, waardoor ook in arbeidskundig opzicht de Svb niet heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld en in dat beroepschrift vooral benadrukt dat zij door psychische problemen en een te hoge bloeddruk niet kan werken. Haar Turkse uitkering is niet toereikend voor behandeling van haar gezondheidsklachten.

3.2. Hangende het hoger beroep heeft de Svb, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 5 november 2007, bij besluit van 30 december 2008 het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de nabestaandenuitkering wederom ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Aangezien de Svb met het besluit van 30 december 2008 niet geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Appellante heeft geen belang meer bij een beoordeling van het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over het besluit van 2 februari 2007 en het hoger beroep zal dan ook niet ontvankelijk verklaard worden.

4.2. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de ANW, voor zover hier van belang, heeft recht op een nabestaandenuitkering de nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde en wiens arbeidsongeschiktheid na die dag ten minste drie maanden voortduurt.

4.3. Artikel 11 van de ANW luidt:

1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007 (LJN BA1702) heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (tezamen: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden.

4.5. Aan het advies van het Uwv van 24 januari 2007 hebben de rapportages van de verzekeringsarts D.L. Bouwman van 18 oktober 2006 en van de arbeidskundige S.L. Koot van 14 december 2006 ten grondslag gelegen. Bouwman heeft bij zijn oordeel de rapportages van de medisch specialisten betrokken die appellante in Turkije hebben onderzocht. Tevens heeft hij de namens appellante ingevulde vragenlijst bestudeerd.

In zijn verslag van 18 oktober 2006 heeft Bouwman de conclusie getrokken dat appellante - ondanks bepaalde belemmeringen - in staat is arbeid te verrichten, rekening houdend met de mogelijkheden zoals vermeld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geldend op en na de datum in geding, zijnde 6 november 2003. De nadien aan hem toegezonden vertalingen van de rapportages van de medisch specialisten in Turkije hebben Bouwman niet tot wijziging van zijn conclusie gebracht. Het voorgaande brengt de Raad tot het oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aan de juistheid en volledigheid van de medische beperkingen die op basis van het resultaat van dat onderzoek zijn vastgesteld.

4.6. De arbeidsdeskundige heeft in zijn eerste rapportage de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op minder dan 15%. In een tweede rapportage heeft hij de geduide functies productiemedewerkster industrie, productiemedewerkster textiel en huishoudelijk medewerkster van een uitgebreide omschrijving voorzien. Hij acht appellante onverminderd geschikt voor de genoemde functies. Naar het oordeel van de Raad heeft de arbeidskundige de voor appellante geselecteerde functies voldoende omschreven en -waar nodig- toegelicht. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundige omtrent de geschiktheid van de geduide functies voor appellante.

5. Uit het voorgaande volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 november 2003 terecht is vastgesteld op minder dan 45% en dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat appellante geen aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 december 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RB