Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-6154 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts Lux en de bezwaarverzekeringsarts Corten niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Nu appellant in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Genoegzaam gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6154 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 september 2008, 08/635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. Tiethof, kantoorgenoot van mr. Hartmans. Het Uwv is, met berichtgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in oktober 1998 uitgevallen wegens een bedrijfsongeval, waarna rugklachten zijn ontstaan. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is aan appellant met ingang van 11 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Met ingang van 5 januari 2007 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding is appellant op het spreekuur van 5 maart 2007 door verzekeringsarts P.J.P.K. Lux onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd – na de ontvangen informatie van de orthopedisch chirurg en de longarts te hebben beoordeeld – dat er weliswaar sprake is van toegenomen klachten, echter niet van toegenomen beperkingen ten opzichte van de door de verzekeringsarts J.G.M. Poels vastgelegde functionele mogelijkheden in het kader van een herbeoordeling op 13 juli 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H.B.I. Willaert op 7 november 2007 een rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 25,04%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2007 de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 2 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, na een heroverweging op basis van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts K. Corten en de bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts Lux en de bezwaarverzekeringsarts Corten niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant door beide verzekeringsartsen is onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts Corten heeft daarbij alle in het dossier aanwezige medische informatie meegewogen, waaronder de informatie van de longarts van 16 april 2007 en de orthopedisch chirurg van 19 april 2007. Hierin is aangegeven dat er middels röntgenonderzoek lichte degeneratieve afwijkingen zijn vastgesteld en het MRI-onderzoek een HNP (hernia) of een kanaalstenose heeft uitgesloten. Ook bij het eigen lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts konden geen radiculaire afwijkingen worden vastgesteld. Nu ook de longarts middels uitgebreid en herhaaldelijk verricht longonderzoek geen verklaring heeft kunnen vinden voor de longklachten van appellant kan volgens de bezwaarverzekeringsarts worden geconcludeerd dat met de door de verzekeringsarts Lux aangegeven beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2007 in ruim voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant. Appellant heeft in beroep en hoger beroep verwezen naar de informatie van de chirurg/traumatoloog O.C. Stroosma van 9 april 2004. De Raad is, gelet op de rapportage van 16 mei 2008 van de bezwaarverzekeringsarts Corten, van oordeel dat ook met deze informatie in de FML in voldoende mate rekening is gehouden. Volgens appellant heeft Stroosma aangegeven dat hij maximaal 45 tot 60 minuten aaneengesloten kan lopen. In de FML wordt appellant op dit aspect meer beperkt geacht nu daar is weergegeven dat hij ongeveer een half uur per dag, niet meer dan vier uur per dag in totaal kan lopen. Overigens is de blijvende invaliditeit van appellant door Stroosma op slechts 7% van het algeheel functioneren vastgesteld, aldus bezwaarverzekeringsarts Corten. Nu appellant in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

3.3. De verzekeringsarts Lux heeft in de FML van 8 mei 2007 bij enkele belastbaarheidsaspecten aangegeven dat appellant normaal belastbaar is, terwijl uit de bij de desbetreffende aspecten gegeven toelichting blijkt dat er toch sprake is van zekere beperkingen. Bij enkele andere belastbaarheidsaspecten is door Lux aangegeven dat weliswaar een bepaalde beperking van toepassing is, maar uit de daarbij gegeven toelichting blijkt dat appellant feitelijk zwaarder beperkt wordt geacht dan in overeenstemming is met de ingevulde score. Bezwaarverzekeringsarts Corten heeft in haar rapportage van 25 maart 2008 ten aanzien van deze beperkende toelichtingen een nadere motivering gegeven en vervolgens bij FML van 25 maart 2008 – conform deze motivering – de FML van 8 mei 2007 aangepast. Dat sprake zou zijn van het zonder enige onderbouwing laten vervallen van toelichtingen, vermag de Raad niet in te zien. Daarbij merkt de Raad op dat Corten per belastbaarheidsaspect uitgebreid heeft gemotiveerd waarom bepaalde normaalwaarden zijn omgezet in een beperking of waarom bepaalde aanvullingen zijn vervallen. De Raad is van oordeel dat deze wijzigingen – in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad – voldoende inzichtelijk en toetsbaar in de FML van 25 maart 2008 zijn weergegeven.

3.4. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

3.5. De Raad stelt vast dat de schatting – zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Harren van 2 april 2008 – uiteindelijk berust op de reeds in de primaire fase voorgehouden functies wikkelaar (sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en elektronicamonteur (sbc-code 267040). Harren heeft deze functies met inachtneming van de FML van 25 maart 2008 beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25 tot 35%. Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 maart 2008 is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Harren in de hierboven genoemde rapportage genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

3.6. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR