Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
09-850 CSV + 09-6996 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota's op basis van schatting van het premieloon werknemersverzekeringen. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. De aan de werknemers betaalde lonen zijn niet (volledig) in de loonadministratie verantwoord en over deze lonen zijn geen premies afgedragen. Verklaring werknemers. Dat de schatting mogelijk op individueel (werknemers)niveau niet geheel klopt en uiteindelijk mogelijk te hoog is, komt volgens vaste rechtspraak van de Raad in een geval als het onderhavige voor rekening van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/850 CSV

09/6996 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 november 2008, 07/214 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 18 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Schilderinck, werkzaam bij Berk Accountants en Belastingadviseurs, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een afschrift ingezonden van een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 5 december 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Appellante is verschenen bij haar vennoot [naam vennoot], bijgestaan door mr. R.H.M. Loves, kantoorgenoot van mr. Schilderinck. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Appellante exploiteert sinds 1 januari 1992 een cafetaria.

2.2. Door de Regiopolitie Twente is een onderzoek ingesteld tegen appellante ter zake van vermoedelijke overtreding van de Wet op de kansspelen, in welk kader (onder andere) enkele werknemers van appellante werden gehoord. Omdat tijdens dit onderzoek het vermoeden rees dat werknemers van appellante (deels) zwart zouden werken, heeft de afdeling Fraude Preventie en Opsporing (FPO) van het Uwv onderzoek verricht, in welk kader (onder andere) enkele werknemers en vennoot Rensink werden gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het Rapport Werkgeversfraude van 9 februari 2005. Hierin wordt geconcludeerd dat uit de getuigenverklaringen van de werknemers blijkt dat loon is uitbetaald dat niet in de loonadministratie is verantwoord en dat appellante niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 10 van de CSV op de werkgever rustende verplichting om aan het Uwv opgave te doen van (al) het door de werknemers in zijn bedrijf genoten loon. Op basis van de bij de Regiopolitie Twente door de werknemers afgelegde verklaringen is een schatting gemaakt van het aantal door de werknemers per week gewerkte uren (70,5), is op basis van dit aantal uren per week het netto jaarloon over de jaren 2000 tot en met 2003 vastgesteld en is (in een rapport van 22 maart 2005) het premieloon werknemersverzekeringen over genoemde jaren berekend.

2.3. Op basis van deze berekeningen heeft het Uwv op 11 april 2005 aan appellante correctienota’s opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003.

2.4. Bij besluit van 15 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de correctienota’s niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift geen gronden van het bezwaar bevatte. Bij uitspraak van 18 mei 2006 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Partijen hebben berust in deze uitspraak.

2.5. Bij besluit van 12 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de correctienota’s van 11 april 2005 over de jaren 2000 tot en met 2002 in zoverre gegrond verklaard dat het Uwv de schatting van de door de werknemers per week gewerkte uren heeft verlaagd naar 60, en op basis daarvan een nieuw netto jaarloon vastgesteld. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen de correctienota van 11 april 2005 over het premiejaar 2003 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, naar aanleiding van het door het Uwv in het verweerschrift ingenomen standpunt dat het aantal door werknemers gewerkte uren per week voor het jaar 2000 (nog verder) verlaagd dient te worden naar 54, het besluit van 12 januari 2007 vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het jaar 2000 en het Uwv opdracht gegeven met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 5 december 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen betreffende het premiejaar 2000, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard in die zin dat wat betreft de schatting over dat jaar uitgegaan wordt van 54 gewerkte uren per week. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.

4. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de jaren 2001 tot en met 2003, gemotiveerd bestreden evenals het nieuwe besluit op bezwaar van 5 december 2008, betreffende het jaar 2000.

5. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

5.1. Op grond van de in het Rapport Werkgeversfraude neergelegde onderzoeksgegevens is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellante in de in geding zijnde jaren de aan de werknemers betaalde lonen niet (volledig) in de loonadministratie heeft verantwoord en over deze lonen geen premies heeft afgedragen. Daartoe hecht de Raad met name waarde aan de door (vier) werknemers onafhankelijk van elkaar tegenover de Regiopolitie Twente en het Uwv afgelegde verklaringen over de datum van indiensttreding, die (veel) eerder ligt dan de datum met ingang waarvan appellante deze werknemers bij het Uwv heeft aangemeld. Uit de verklaring van een (vijfde) werknemer blijkt bovendien dat zij reeds gedurende enige tijd bij appellante werkzaam was, terwijl appellante deze werknemer in het geheel niet had aangemeld bij het Uwv. De Raad is dan ook van oordeel dat moet worden aangenomen dat in de jaren in geding gewerkte uren ten onrechte niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Uit het onderzoek komt voorts naar voren dat appellante de lonen contant uitbetaalde, dat de werknemers niet tekenden voor ontvangst, dat de kasadministratie over een groot deel van de in geding zijnde periode ontbreekt, en dat er geen weekroosters en geen weekplannen werden gemaakt.

5.2. Bij gebreke van een deugdelijke administratie van de uitbetaalde bedragen mag het Uwv ingevolge vaste rechtspraak van de Raad een redelijke schatting van het premieloon maken, waarbij het Uwv zo veel mogelijk dient uit te gaan van de wel aanwezige gegevens. Appellante heeft onder meer betoogd dat het Uwv bij de schatting ten onrechte is afgegaan op de door de werknemers bij de Regiopolitie Twente afgelegde verklaringen, nu deze verklaringen wat betreft het aantal gewerkte uren per week niet zouden zien op de jaren in geding. Alhoewel de Raad van oordeel is dat aan de betekenis van de door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde verklaringen bij de Regiopolitie wel het een en ander valt af te dingen, komt de uitkomst van de schatting de Raad toch alleszins redelijk voor. Het door het Uwv geschatte aantal door werknemers gewerkte uren per week heeft - in vergelijking tot de overblijvende inzet van de vennoten zelf in het bedrijf - voldoende realiteitswaarde. Bovendien acht de Raad van belang dat ook na de in geding zijnde correctie van de premielonen de verhouding tussen de omzet van appellante en de component loon in de in geding zijnde jaren nog steeds zeer aanzienlijk lager is dan 16%, het (door het Uwv ter vergelijking gehanteerde) percentage dat blijkens Rabobank Cijfers en Trends (2004) bij cafetaria’s gebruikelijk is. De daarvoor door appellante gegeven verklaringen hebben de Raad niet kunnen overtuigen.

5.3. Dat de schatting mogelijk op individueel (werknemers)niveau niet geheel klopt en uiteindelijk mogelijk te hoog is, komt volgens vaste rechtspraak van de Raad in een geval als het onderhavige voor rekening van appellante. In dat kader acht de Raad mede van belang dat appellante haar stellingen dat de betreffende werknemers veel minder uren gewerkt hebben niet op een deugdelijke, verifieerbare wijze heeft onderbouwd.

5.4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. De Raad zal voorts het beroep tegen het besluit van 5 december 2008 ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 december 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ