Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
08-4075 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Terugwerkende kracht. Redelijkerwijs duidelijk. Gedragslijn. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Toetsing bestuursrechter.Terugvordering WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat de gedragslijn in het geval van appellante op consistente wijze is toegepast. Het had appellante, gelet op de omvang van haar verdiensten, zowel in de periode van 16 juni 2004 tot september 2005 als in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze verdiensten van invloed konden zijn op de hoogte van haar uitkering. Reeds het bedrag dat zij teveel aan uitkering heeft ontvangen, wijst hierop. De omstandigheid dat appellante met betrekking tot de eerstgenoemde periode zowel de aanvang als de beëindiging van haar werkzaamheden heeft gemeld, maakt dit niet anders. De Raad voegt nog toe dat van mededelingen of toezeggingen van de zijde van het Uwv, op grond waarvan appellante erop mocht vertrouwen dat haar verdiensten geen invloed zouden hebben op haar uitkering, niet is gebleken. De stelling van appelante dat het Uwv hiervan had moeten afzien, dan wel de terugvordering had moeten beperken tot het bedrag dat netto teveel is ontvangen omdat het Uwv willens en wetens de situatie heeft laten voortbestaan, mist feitelijke grondslag, reeds omdat niet is gebleken dat appellante eigener beweging haar verdiensten heeft opgegeven.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4075 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 juni 2008, 07/4616 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kramer, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen B. de Weijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt sedert 29 november 1999 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In de periode van 16 juni 2004 tot 1 oktober 2005 en in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 is appellante werkzaam geweest in horecagelegenheden.

1.3. Bij twee besluiten van 15 maart 2007 heeft het Uwv over de periode van 1 juni 2004 tot 1 oktober 2005 en over het jaar 2006 toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO en voorts bij een ander besluit van dezelfde datum van appellante - na verrekening met een bedrag dat zij nog tegoed had - een bedrag van bruto € 8.886,63 aan onverschuldigd betaalde uitkering van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 21 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de drie besluiten van 15 maart 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard. Op basis van een herberekening is het bedrag aan uitkering dat van appellante wordt teruggevorderd gewijzigd in € 8.631,55. Haar verdiensten in de maand september 2005 hadden bij nader inzien geen invloed op de hoogte van haar uitkering.

1.5. Bij dit besluit heeft het Uwv met betrekking tot de periode van 16 juni 2004 tot 1 september 2005 overwogen dat hoewel de werkzaamheden bij het Uwv op enig moment bekend hadden kunnen zijn en hierop van de kant van het Uwv niet terstond en adequaat is gereageerd, het appellante nochtans redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar inkomsten van invloed zouden zijn op de hoogte van haar uitkering. Voorts heeft het Uwv overwogen dat bij appellante gewekte verwachtingen slechts dan kunnen worden gehonoreerd indien daarvan ondubbelzinnig schriftelijk mededeling is gedaan. Daarvan is niet gebleken.

1.6. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 heeft het Uwv overwogen dat in bezwaar onvoldoende is weersproken dat de werkzaamheden die appellante verrichtte, en de inkomsten die zij genoot, niet zijn gemeld. Uit een overzicht van alle telefooncontacten blijkt dat een melding van deze werkzaamheden niet aan de orde is geweest. In de visie van het Uwv is over deze periode dan ook door toedoen van appellante teveel aan uitkering uitbetaald.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 21 september 2007 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat naar haar oordeel het “toedoen-criterium” zoals door het Uwv is gehanteerd met betrekking tot de werkzaamheden in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 niet van toepassing is, nu dit criterium is afgeleid van de beleidsregels die op grond van artikel 36a van de WAO zijn opgesteld en dit artikel hier niet aan de orde is. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet weg dat het appellante in deze periode redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar verdiensten van invloed konden zijn op haar uitkering. De rechtbank is uit de stukken, anders dan appellante heeft gesteld, niet gebleken dat zij specifiek en concreet aan de uitkeringsafdeling melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden in deze periode. Het betoog van appellante met betrekking tot haar werkzaamheden in de periode van 16 juni 2004 tot 1 oktober 2005, inhoudende dat het Uwv niet heeft verzocht om salarisspecificaties zodat haar geen verwijt valt te maken, slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op artikel 80 van de WAO.

2.3. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv gedeeltelijk of geheel daarvan had kunnen afzien. Een trage gevalsbehandeling levert geen dringende reden op. Het betoog van appellante dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 28 november 2006, LJN AZ3437, het Uwv de uitkering ten onrechte bruto heeft teruggevorderd, is door de rechtbank niet gevolgd omdat er geen sprake is van een vergelijkbare situatie en omdat niet kan worden staande gehouden dat alle verwijtbaarheid van de zijde van appellante ontbreekt.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald haar standpunt dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar werkzaamheden in genoemde perioden van invloed konden zijn op haar uitkering. Voorts meent appellante dat de terugvordering op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient te vervallen, nu het Uwv willens en wetens de situatie heeft laten voortduren, waardoor zij uiteindelijk een aanzienlijk bedrag dient terug te betalen. In ieder geval had het Uwv naar de mening van appellante de terugvordering moeten beperken tot het bedrag dat zij netto teveel aan uitkering heeft ontvangen. Daarbij heeft zij gewezen op de uitspraak van de Raad van 18 februari 2009, LJN BH4066. Tot slot heeft appellante de Raad verzocht uit te spreken dat in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 niet door haar toedoen teveel aan uitkering is uitbetaald.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In zijn uitspraak van 5 november 2008, LJN BG3717, heeft de Raad overwogen dat in het geval aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat de bewoordingen van dit artikel er in beginsel niet aan in de weg staan dat dit artikel met teugwerkende kracht wordt toegepast. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat het Uwv van toepassing van deze wetsbepaling pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering wordt ontvangen. Deze door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn dient op één lijn te worden gesteld met een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3. De Raad is van oordeel dat evenbedoelde gedragslijn in het geval van appellante op consistente wijze is toegepast. Het had appellante, gelet op de omvang van haar verdiensten, zowel in de periode van 16 juni 2004 tot september 2005 als in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze verdiensten van invloed konden zijn op de hoogte van haar uitkering. Reeds het bedrag dat zij teveel aan uitkering heeft ontvangen, wijst hierop. De omstandigheid dat appellante met betrekking tot de eerstgenoemde periode zowel de aanvang als de beëindiging van haar werkzaamheden heeft gemeld, maakt dit niet anders.

4.4. Aan het hiervoor overwogene voegt de Raad nog toe dat van mededelingen of toezeggingen van de zijde van het Uwv, op grond waarvan appellante erop mocht vertrouwen dat haar verdiensten geen invloed zouden hebben op haar uitkering, niet is gebleken.

4.5. Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad dat ook hiervoor geldt een gehoudenheid van het Uwv om daartoe over te gaan, indien te veel uitkering is uitbetaald. De stelling van appelante dat het Uwv hiervan had moeten afzien, dan wel de terugvordering had moeten beperken tot het bedrag dat netto teveel is ontvangen omdat het Uwv willens en wetens de situatie heeft laten voortbestaan, mist feitelijke grondslag, reeds omdat niet is gebleken dat appellante eigener beweging haar verdiensten heeft opgegeven. Om deze reden faalt ook haar beroep op de uitspraak van de Raad van 18 februari 2009. De Raad vermag niet in te zien waarom het aan het Uwv te verwijten is dat appellante niet in de gelegenheid is gesteld om de netto te veel uitbetaalde bedragen terug te betalen in de kalenderjaren waarin te veel is betaald.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Hiermee is gegeven dat de vraag van appellant of in 2006 wel of niet door haar toedoen te veel uitkering is uitbetaald, geen beantwoording behoeft.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

EK