Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
09-1613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Hetgeen in hoger beroep namens appellante over de medische grondslag van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is aangevoerd, is goeddeels een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd en is niet onderbouwd met nadere medische gegevens. Dit biedt de Raad derhalve geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of tot het doen instellen van een nader medisch onderzoek. Wat dit laatste betreft wijst de Raad er op dat de bezwaarverzekeringsarts de suggestie van de destijds ingeschakelde deskundige-psychiater prof. dr. Koerselman, dat het wellicht ware aan te bevelen om appellante te laten onderzoeken door een internist, in zijn rapport van 6 december 2007 voldoende gemotiveerd heeft weersproken. De Raad verenigt zich volledig met de overwegingen van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2009, 08/1167 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. Garretsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante was gedurende 30 uur per week werkzaam als receptioniste/administratief medewerker toen zij op 22 september 2003 uitviel met long- en andere lichamelijke klachten. Na het voltooien van de wachttijd is haar bij besluit van 30 maart 2007 met ingang van 6 september 2004 aanvankelijk een voorschot, later een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 juni 2008, 05/5735, heeft de rechtbank, mede gelet op het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige-psychiater prof. dr. G.F. Koerselman in diens rapport van 22 oktober 2007, het beroep dat mede gericht is geacht tegen het besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3. In 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld door het Uwv. Bij besluit van 10 juli 2007 is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante ongewijzigd wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij besluit van 12 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 4 juli 2007 - op arbeidskundige gronden - herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen grond is voor de verzochte toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), reeds omdat de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2008 al heeft geoordeeld over het besluit van 30 maart 2007. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de ingebrachte medische en arbeidskundige gronden tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Ten aanzien van de overweging van de rechtbank over de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb is van de zijde van appellante bepleit, zo begrijpt de Raad de toelichting daarop ter zitting, dat, nu de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 4 juli 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en de gezondheidstoestand van appellante volgens het onder 1.2 bedoelde rapport van deskundige-psychiater prof. dr. Koerselman in 2004 slechter was dan in 2007, het percentage van 25 tot 35 dient te gelden vanaf 2004.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, nu geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2008, het besluit van 30 maart 2007 in rechte onaantastbaar is geworden en er dus reeds daarom geen grond is voor de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. De Raad voegt daar, gelet op het vorenstaande in dit geding ten overvloede, nog aan toe dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in 2004 en 2007 twee los van elkaar staande beoordelingen zijn, die allebei zijn gebaseerd op zowel een medische als een arbeidskundig onderzoek. Dit betekent dat het verschil tussen de mate van arbeidsongeschiktheid op 6 september 2004 en die op 4 juli 2007 niet noodzakelijkerwijs valt terug te voeren op een verschil in de medische beoordeling.

3.3. Hetgeen in hoger beroep namens appellante over de medische grondslag van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is aangevoerd, is goeddeels een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd en is niet onderbouwd met nadere medische gegevens. Dit biedt de Raad derhalve geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of tot het doen instellen van een nader medisch onderzoek. Wat dit laatste betreft wijst de Raad er op dat de bezwaarverzekeringsarts de suggestie van de destijds ingeschakelde deskundige-psychiater prof. dr. Koerselman, dat het wellicht ware aan te bevelen om appellante te laten onderzoeken door een internist, in zijn rapport van 6 december 2007 voldoende gemotiveerd heeft weersproken.

3.4. Overigens verenigt de Raad zich volledig met de overwegingen van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn daartegen geen nieuwe argumenten aangevoerd.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK