Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09-4368 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4368 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juni 2009, 08/682 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uvw).

Datum uitspraak: 24 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft op 20 november 2009 vragen aan het Uwv gesteld, welke het Uwv op 27 november 2009, onder overlegging van een rapport van 25 november 2009 van bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten heeft beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, voorheen werkzaam als operator, heeft zich tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, ziek gemeld met diverse klachten. Het Uwv heeft bij besluit van 5 februari 2007 appellant bericht dat per 12 maart 2007, het einde van de wettelijke wachttijd, geen recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 35%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant weliswaar beperkt is in verband met aanvallen van bewustzijnsverlies en last heeft van kataplexie, maar dat er voor hem nog benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn. De voor appellant geldende beperkingen – onder meer persoonlijk risico, geen monotoon werk en staan (ongeveer een half uur achtereen) – zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 december 2006.

2. Namens appellant is tegen het besluit van 5 februari 2007 bezwaar gemaakt. In het kader van dit bezwaar is door A. Deitz, bezwaarverzekeringsarts, op 23 mei 2007 rapport uitgebracht, waarbij hij aanleiding heeft gezien de FML van 22 december 2006 op enkele punten (vervoer en conflicthantering), aan te scherpen. De bezwaararbeidsdeskundige

De Vries-van Hulten, voornoemd heeft vervolgens, blijkens haar rapport van 28 juni 2007, een aantal functies bij nader inzien ongeschikt geacht voor appellant, deels nieuwe functies geselecteerd en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid dientengevolge 38,73% bedraagt. In voormeld rapport heeft zij de signaleringen met betrekking tot eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid per functie toegelicht. Bij brief van 29 juni 2007 is de gemachtigde van appellant over de nieuwe functie-duiding ingelicht en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, van welke gelegenheid hij bij brief van 11 juli 2007 gebruik heeft gemaakt. Nadat voormelde bezwaararbeidsdeskundige daarop in een rapport van 18 september 2007 had gereageerd, heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant gegrond verklaard en appellant alsnog met ingang van 12 maart 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft het Uwv de hoogte en de duur van deze uitkering vastgesteld.

3. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen; in feite acht appellant zich in het geheel niet tot arbeid in staat. Daarnaast zijn door appellant bezwaren van arbeidskundige aard naar voren gebracht, met name met betrekking tot het werken met gevaarlijke machines en het ontstaan van conflicten in verband met plotseling bewustzijnsverlies bij appellant en het daardoor stagneren van de productie.

4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

5. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. De Raad acht de medische basis van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellant in de in bezwaar opgestelde FML van 24 mei 2007 is overschat. Van de zijde van appellant zijn in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht die twijfel kunnen wekken aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

6.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast, dat uiteindelijk vier functies aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De signaleringen voorkomend op de resultaat functiebeoordeling met betrekking tot deze functies acht de Raad in voormeld arbeidskundig rapport van 28 juni 2007 op zich voldoende toegelicht. Als vermeld, heeft de bezwaararbeidsdeskundige in haar rapport van 18 september 2007 nog een nadere onderbouwing van de geduide functies gegeven naar aanleiding van het commentaar van de gemachtigde van appellant. Voor zover het betreft functies waarin met een snijmachine of een handpallettruck wordt gewerkt alsmede wat betreft het aspect van het werken temidden van collega’s, is deze toelichting in elk geval toereikend. Dit geldt ook voor de in hoger beroep in het rapport van

25 november 2009 gegeven nadere verduidelijking met betrekking tot het item staan in de functie van samensteller kunststof en rubberindustrie: appellant kan zo nodig gebruik maken van een stahulp of een zogenoemde kapperskruk; niet is gebleken dat zulks bij de uitoefening van bedoelde functie niet feitelijk mogelijk zou zijn. De geschiktheid van de functie van magazijn medewerker in verband met het eventueel ontstaan van conflicten kan worden daargelaten, nu als hiervoor is gebleken, er reeds drie, dus voldoende, functies resteren om de schatting te kunnen dragen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is derhalve toereikend te achten.

6.4. Uit hetgeen onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR