Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09-876 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en maatregel bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/876 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2008, 07/6374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 februari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. van der Heide. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving over de periodes van 17 september 1998 tot en met 21 juli 1999 en van 2 mei 2000 tot en met 8 februari 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande en over de periode van 9 februari 2001 tot en met 3 december 2003 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 1 januari 2004 ontving appellant bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellant over de maanden september 2000, september 2001, september 2003, oktober 2004 en januari 2005 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze maanden van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 5.804,95. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit informatie van de voormalige Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam (hierna: RDW) blijkt dat in twee periodes binnen de periode van 2 mei 2000 tot en met 17 mei 2006 elf kentekens op naam van appellant waren geregistreerd, waarvan er slechts vier bij het College bekend waren, en dat in de hiervoor genoemde maanden sprake was van een handelstransactie met de niet bij het College bekende auto’s.

1.3. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellant verlaagd met 10% van het benadelingsbedrag, zijnde € 580,50.

1.4. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2007 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

De intrekking

4.1. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de maanden september 2000, september 2001, september 2003, oktober 2004 en januari 2005 telkens een auto, die gedurende een korte tijd - niet langer dan vier maanden - op naam van appellant stond, werd overgeschreven op naam van een derde. Naar inmiddels vaste rechtspraak van de Raad moet onder dergelijke omstandigheden worden aangenomen dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van betrokkene staat de datum is waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden.

4.2. Het moet naar het oordeel van de Raad aan appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het bezit van een of meerdere auto’s van invloed kan zijn op zijn recht op bijstand, niet alleen vanwege de waarde die deze in het economisch verkeer kunnen vertegenwoordigen, maar ook vanwege eventuele op geld waardeerbare activiteiten en transacties die met betrekking tot die auto’s plaatsvinden. Door van het bezit van de auto’s en van de onderhavige transacties geen melding te maken, is appellant de ingevolge (achtereenvolgens) artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting in ieder geval niet nagekomen in de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden. Tegen de achtergrond hiervan treft geen doel de stelling van appellant dat voor hem niet kenbaar was wat van hem in dit opzicht werd verwacht omdat, anders dan op een aanvraag- en heronderzoeksformulier, een expliciete vraag hierover op de maandelijkse informatieformulieren ontbreekt. Daargelaten dat op het maandelijkse informatieformulier Abw en WWB van de gemeente Delft werd respectievelijk wordt gevraagd naar werkzaamheden, inkomsten en vermogen, was appellant immers op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen gehouden feiten en omstandigheden als hier aan de orde uit eigen beweging aan het College te melden.

4.3. Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg van die schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan ook aan betrokkene om feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellant is daarin niet geslaagd. Evenals de rechtbank volgt de Raad het College in zijn standpunt dat appellant geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid voor welke bedragen de onderhavige auto’s zijn gekocht en verkocht. Appellant heeft hiervan geen administratie bijgehouden. Het College heeft derhalve terecht geconcludeerd dat het recht van appellant op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

4.4. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de in geding zijnde maanden in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

4.5. Met hetgeen in 4.4 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de verleende bijstand over september 2000, september 2001, september 2003, oktober 2004 en januari 2005 van appellant terug te vorderen. Het College voert - voor zover in dit geding van belang - het beleid dat van deze bevoegdheid steeds gebruik wordt gemaakt indien de bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een hoog bedrag is verleend, behoudens in het geval zich dringende redenen voordoen om daarvan af te zien. Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid inzake terugvordering. In de door appellant aangevoerde reden dat hij geen inkomsten zou hebben verkregen uit de verkoop van de vijf auto’s in geding, ziet de Raad geen dringende reden op grond waarvan het College geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

De maatregel

4.6. Appellante heeft tegen het oordeel van de rechtbank over de maatregel geen zelfstandige grieven naar voren gebracht. De Raad volstaat dan ook met de overweging dat gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting, de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel dat de onder 1.3 genoemde maatregel terecht is opgelegd.

Slot

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

SB