Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09-256 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad ontbeert het besluit een draagkrachtige motivering. Blijkens de beleidsbepaling van de Handhavingsverordening WWB en de daarop gegeven toelichting, is voor de beslissing op het verzoek van appellante namelijk niet van belang of er sprake is van een dringende reden maar is beoogd om een, op de individuele omstandigheden toegespitste, afweging te doen maken, waarbij de financiële bijzonderheden van de vordering, zoals in de toelichting genoemd, van groot belang zijn. Van een doorslaggevende rol voor de omstandigheid dat het een fraudevordering betreft is in die bepaling of de daarop gegeven toelichting geen aanknopingspunt te vinden, waar dat karakter, gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Handhavingsverordening WWB uitdrukkelijk wel een centrale rol heeft bij de kwijtscheldingsmogelijkheden genoemd in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b van die verordening. Voorts is in de afweging geen aandacht besteed aan de andere (financiële) bijzonderheden van de vordering. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/105
JWWB 2010, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/256 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2008, 08/1515 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B. Laurman, kantoorgenoot van mr. Katz. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand sinds 4 mei 1982, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het College de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 augustus 2003 in verband met een niet-gemelde vermogensoverschrijding herzien en een bedrag van € 7.094,66 van appellante teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 september 2006 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

1.2. Reeds op 22 maart 2006 heeft mr. C. Phillips, advocaat te Rotterdam, namens appellante verzocht om kwijtschelding van 50 procent van de terugvorderingsschuld. Appellante bood daarbij aan de andere helft te doen verrekenen met de haar te betalen uitkering en het resterende bedrag van € 1.903,13 ineens te voldoen.

1.3. Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft het College dit verzoek afgewezen.

1.4. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat het College niet zonder nader onderzoek, waaronder het horen van appellante, omtrent de door haar in verband met het kwijtscheldingsverzoek gestelde persoonlijke feiten en omstandigheden, tot de conclusie had kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

1.6. Bij besluit van 22 februari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2006 wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de artikelen 58 en 59 van de WWB, voor zover hier van belang, meebrengen dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering moet hierin besloten worden geacht.

4.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van Handhavingsverordening WWB van de gemeente Rotterdam kan het College besluiten geheel of gedeeltelijk van (verdere) terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen zijn.

Ingevolge het tweede lid van deze verordening kan het College op verzoek van de belanghebbende besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien als de belanghebbende ten aanzien van de betreffende vordering:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of

c. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat indien de terugvordering een gevolg is van het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, een termijn van tien jaar geldt.

4.3. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 5 van de Handhavingsverordening WWB is onder meer het volgende opgenomen:

“Op grond van het eerste lid, onderdeel c, kan wegens dringende redenen van verdere terugvordering afgezien worden. In het algemeen deel van de toelichting is uiteen gezet welke factoren daarbij onder meer een rol kunnen spelen. […]

Het tweede lid, onderdeel c. biedt de mogelijkheid om van verdere terugvordering af te zien, als de belanghebbende bereid is een bedrag ineens te betalen. Dit kan slechts op individuele gronden, waarbij de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de vordering, de looptijd van de betalingsregeling, het betaalgedrag, overige incassomogelijkheden en dergelijke moeten worden meegewogen. Zeker bij fraudevorderingen geldt dat grote terughoudendheid op zijn plaats is.

Met een afkoopsom kan alleen genoegen worden genomen als verwacht wordt dat deze hoger is dan het bedrag dat op de gebruikelijke wijze, al dan niet via beslag op vermogen, geïncasseerd kan worden. Uitgangspunt daarbij is dat de afkoopsom minimaal gelijk moet zijn aan de contante waarde van de vordering, in de praktijk ongeveer 80 - 90% van de vordering.”

4.4. De Handhavingsverordening WWB is op 1 januari 2005 in werking getreden. De Raad stelt ter zake van deze bevoegdheidsuitoefening onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8022, vast dat artikel 5 van de op artikel 8a van de WWB berustende en door de raad van de gemeente Rotterdam vastgestelde Handhavingsverordening WWB verbindende kracht mist. De Raad ziet aanleiding deze bepaling te beschouwen als de verwoording van beleid van het College, ter invulling van de in artikel 58 van de WWB aan het College toegekende discretionaire bevoegdheid. De Raad is van oordeel dat voornoemd beleid niet in strijd komt met enig algemeen verbindend voorschrift en de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

4.5. In de in 4.3 genoemde algemene toelichting op de Handhavingsverordening WWB is verwoord dat met deze verordening een aanscherping is beoogd van het debiteurenbeleid ten aanzien van fraudevorderingen. Daarbij is de mogelijkheid onder ogen gezien om fraudevorderingen geheel uit te sluiten van kwijtschelding. Er is evenwel gekozen voor de verlenging van de termijn waarover minimaal afgelost moet worden van vijf naar tien jaar.

4.6. In het besluit van 22 februari 2008 heeft het College overwogen dat in de door appellante aangevoerde medische redenen geen dringende redenen waren gelegen om de afkoopsom te accepteren en dat, nu het hier een fraudevordering betrof, daarin voldoende aanleiding was gelegen om terughoudend te zijn ten aanzien van het verzoek om kwijtschelding. Naar het oordeel van de Raad ontbeert het besluit hiermee een draagkrachtige motivering. Blijkens de beleidsbepaling opgenomen in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Handhavingsverordening WWB en de daarop gegeven toelichting, is voor de beslissing op het verzoek van appellante namelijk niet van belang of er sprake is van een dringende reden, zoals genoemd in het eerste lid van dat artikel, maar is beoogd om een, op de individuele omstandigheden toegespitste, afweging te doen maken, waarbij de financiële bijzonderheden van de vordering, zoals in de toelichting genoemd, van groot belang zijn. Van een doorslaggevende rol voor de omstandigheid dat het een fraudevordering betreft is in die bepaling of de daarop gegeven toelichting geen aanknopingspunt te vinden, waar dat karakter, gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Handhavingsverordening WWB uitdrukkelijk wel een centrale rol heeft bij de kwijtscheldingsmogelijkheden genoemd in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b van die verordening. Voorts is in de afweging geen aandacht besteed aan de andere (financiële) bijzonderheden van de vordering.

4.7. De rechtbank heeft hetgeen in 4.6 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 februari 2008;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

9 februari 2010.

(get.) N.J. van Vulpen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm