Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09-591 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Geen nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/591 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008, 04/3286 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2010.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 4 november 2003 heeft appellant het Uwv, voor zover hier van belang, verzocht om herziening van het besluit van 29 januari 2001, waarbij is geweigerd hem een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. Nadat appellant bij brief van 4 februari 2004 bezwaar had gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek, heeft het Uwv bij besluit van 17 februari 2004 dat verzoek afgewezen.

1.2. Appellant heeft op 4 november 2004 beroep ingesteld tegen de weigering van het Uwv een beslissing te nemen op zijn bezwaarschrift van 4 februari 2004. Bij besluit van 9 november 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep mede gericht geacht tegen dit besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep verder ongegrond verklaard met een bepaling over vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht.

3.1. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de wijze waarop de rechtbank zijn beroep heeft behandeld overweegt de Raad dat appellant, op basis van de hem toegezonden kennisgeving, kon weten dat het beroep ter zitting inhoudelijk zou worden behandeld. Verder blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat de rechtbank rekening heeft gehouden met de lichamelijke conditie van appellant door het onderzoek ter zitting gedurende enige tijd te schorsen. Uit dat proces-verbaal blijkt eveneens dat de rechtbank appellant voldoende gelegenheid voor hoor- en wederhoor heeft geboden. De Raad is voorts niet gebleken dat het standpunt van het Uwv onjuist door de rechtbank is opgevat.

3.2. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak bestreden voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ongegrond is verklaard. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad het volgende.

3.3. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een beslissing om terug te komen kunnen rechtvaardigen. Worden geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden vermeld dan kan het bestuursorgaan het verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb zonder nader onderzoek afwijzen.

3.4. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant erop gewezen dat het Uwv in een verweerschrift van 30 oktober 2003 in een beroepsprocedure bij de rechtbank Rotterdam met betrekking tot de uitvoering van de Werkloosheidswet heeft betoogd dat hij met ingang van 1 april 1999 niet beschikbaar is voor het aanvaarden van arbeid. Volgens appellant heeft het Uwv dit standpunt gebaseerd op de overweging dat hij arbeidsongeschikt is.

3.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat geen nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Ook in hetgeen overigens is aangevoerd ziet de Raad geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die het Uwv in beschouwing had moeten nemen. Met nieuwe feiten die pas in beroep of in hoger beroep naar voren zijn gebracht, kan bij de rechterlijke toetsing van een met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluit geen rekening worden gehouden.

3.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover in hoger beroep aangevochten, te worden bevestigd.

4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Lammerse.

BvW