Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
08-1454 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Weigering huisbezoek. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar medische en psychische toestand niet in staat was het verzoek om mee te werken aan een huisbezoek en de mogelijke gevolgen van het weigeren hiervan te begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1454 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 2008, 07/887 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Peters, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Namens appellante is verschenen mr. Peters. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.P.G. Teuwissen, werkzaam bij de gemeente Geldrop-Mierlo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 juli 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Na een bezoek door bijstandsconsulenten aan de woning van appellante op 11 september 2006 waarbij zij niet thuis werd aangetroffen en een uitnodiging voor een gesprek op 19 september 2006 waaraan appellante geen gehoor heeft gegeven, is appellante verschenen op een gesprek op 21 september 2006. Tijdens dat gesprek is aan de orde geweest waarom appellante en haar inwonende dochter, die eveneens bijstand ontving, niet op 19 september 2006 zijn verschenen, waarom appellante de inkomstenverklaringen voor haar dochter heeft ondertekend en dat tijdens het bezoek aan de woning van appellante op 11 september 2006 is geconstateerd dat in die woning een vrouw aan het schoonmaken was, die heeft verklaard dat zij niet wist waar de bewoners waren en wanneer zij weer zouden thuiskomen. Voorts is appellante tijdens dit gesprek geconfronteerd met de waarneming op 20 september 2006 om 6.15 uur dat een BMW personenauto met een Duits kenteken met beslagen ruiten op de oprit naast haar woning stond geparkeerd en om 10.30 uur een Mercedes personenauto met eveneens een Duits kenteken. Appellante heeft verklaard dat zij zich van de geparkeerde BMW niets kon herinneren en dat de betreffende Mercedes toebehoort aan haar ex-echtgenoot, die regelmatig bij haar op bezoek komt en daar ook af en toe blijft slapen. Uiteindelijk verklaarde appellante dat haar ex-echtgenoot die morgen weer was vertrokken. De betreffende consulenten hebben vervolgens aan appellante kenbaar gemaakt dat haar verklaring op onderdelen niet juist is dan wel onduidelijk en onvolledig en dat zij voornemens waren aansluitend een huisbezoek af te leggen om duidelijkheid te verkrijgen over onder meer de woon- en leefsituatie van appellante. Gerapporteerd is dat appellante weigerde mee te werken aan een huisbezoek, dat haar herhaaldelijk is meegedeeld dat door die weigering het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat de bijstand zal worden ingetrokken. Voorts is gerapporteerd dat appellante heeft verklaard zich bewust te zijn van de gevolgen van haar weigering en dat zij volhardde in haar weigering met de mededeling dat zij bezwaar zou maken.

1.3. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 21 september 2006 ingetrokken op de grond dat zij door niet mee te werken aan het noodzakelijk geachte huisbezoek niet de informatie heeft verstrekt die van belang is voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening met als gevolg dat het recht op bijstand per 21 september 2006 niet meer kan worden vastgesteld. Bij besluit van 23 januari 2007, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.2. Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

4.3. Indien de belanghebbende deze inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.5. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval van een zodanige grond sprake was.

4.6.1. Het College had op grond van de waarneming op 20 september 2006 waarbij de woning van appellante op verschillende tijdstippen auto’s zijn aangetroffen en op grond van de verklaring die appellante, zoals in 1.2 omschreven en die appellante niet heeft betwist, daarover tijdens het gesprek de volgende dag heeft afgelegd een redelijke grond om van appellante te verlangen mee te werken aan een huisbezoek teneinde duidelijkheid te verkrijgen over haar woon- en leefsituatie.

4.6.2. De stelling van appellante dat zij na het gesprek - even later - alsnog toestemming heeft gegeven voor het huisbezoek vindt geen steun in de gedingstukken en acht de Raad overigens onaannemelijk omdat niet valt in te zien dat de betreffende consulenten van het huisbezoek zouden hebben afgezien als appellante tijdens het gesprek op 21 september 2006 alsnog toestemming zou hebben gegeven. Daarbij wijst de Raad erop dat gerapporteerd is dat appellante volhardde in haar weigering en heeft aangegeven dat zij bezwaar zou maken tegen de intrekking van de bijstand. De omstandigheid dat appellante op een latere datum alsnog heeft meegewerkt aan een huisbezoek, dat heeft geleid tot toekenning van bijstand met ingang van 16 oktober 2006, kan daaraan niet afdoen.

4.6.3. Voorts is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, zoals gesteld, vanwege haar medische en psychische toestand niet in staat was het verzoek om mee te werken aan een huisbezoek en de mogelijke gevolgen van het weigeren hiervan te begrijpen. De verklaring van de huisarts van 7 januari 2008 dat appellante voor depressieve en angstklachten wordt behandeld en dat het mogelijk is dat zij daardoor “soms anders (angstig, paniek) reageert op een onverwachte situatie” acht de Raad daartoe ontoereikend. Uit het verslag van het gesprek op 21 september 2006 kan niet worden afgeleid dat appellante angstig of in paniek heeft gereageerd op het verzoek om mee te werken aan een huisbezoek. Voorts blijkt daaruit niet dat appellante buiten staat was de gevolgen van de weigering, ook na bij herhaling te zijn gewezen op de gevolgen daarvan voor haar uitkering, te overzien. Daarbij tekent de Raad aan dat appellante kenbaar heeft gemaakt dat zij eerst juridisch advies wilde inwinnen alvorens antwoord te willen geven op het verzoek om mee te werken, waaruit kan worden afgeleid dat zij de essentie van het verzoek en de gevolgen van een weigering heeft begrepen.

4.6.4. De omstandigheid dat appellante zich door het verzoek overrompeld voelde en haar wens om eerst juridisch advies in te winnen, acht de Raad niet van zodanig zwaarwegend belang dat daarvoor het belang van het College om onmiddellijk de woonsituatie van appellante te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijziging aan te brengen, behoefde te wijken.

4.7. Uit voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

RB