Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
08-3808 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenplicht. Appellante heeft in beroep het besluit van 16 april 2007 bestreden zowel wat betreft de intrekking en terugvordering over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 als de intrekking per 1 november 2006. In hoger beroep heeft appellante hiervan geen afstand genomen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ten aanzien van dit tweede deel van het besluit van 16 april 2007 in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet beoordeeld. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de zaak met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zonder terugwijzing afdoen, omdat deze geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De Raad stelt vast dat het College de intrekking met ingang van 1 november 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier ook beoordeeld dient worden de periode van 1 november 2006 tot en met 12 december 2006. Het besluit van 16 april 2007 tot handhaving van de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 en van de intrekking van bijstand met ingang van 1 november 2006 is een belastend besluit. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellante ten aanzien van de perioden in geding de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet de gehele periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen. Naar het oordeel van de Raad heeft het College hiermee aannemelijk gemaakt dat appellante in de maand november 2005 en in de maanden juni tot en met september 2006 in [plaatsnaam] werkzaamheden heeft verricht. Voorts acht de Raad uit de verklaringen van appellante en de getuige in samenhang met het vaststaande feit dat appellante in januari 2006 niet in Nederland verbleef aannemelijk dat appellante in de maand februari 2006 in ’[plaatsnaam b] werkzaamheden als heeft verricht. Voor de veel verder reikende conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2005 tot 12 december 2006 voortdurend werkzaam is geweest is onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig. Het College was bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kosten van bijstand over de in 4.5 genoemde maanden van appellante terug te vorderen. De Raad ziet geen dringende reden als bedoeld in dit beleid noch bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3808 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 mei 2008, 07/3733 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 januari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Appellante is vertegenwoordigd door mr. R. Veerkamp, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand sinds 28 december 1998 naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding op 30 augustus 2006, dat appellante werkzaamheden verrichtte als prostituee aan [straatnaam] te [plaatsnaam] en daaruit inkomsten ontving, heeft de Sociale Recherche van Regiopolitie Haaglanden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn registers en instanties geraadpleegd en zijn gegevens gevorderd van kamerverhuurbedrijven in [plaatsnaam] en ’[plaatsnaam b]. Ten slotte is appellante als verdachte verhoord. Van dit onderzoek is op 15 november 2006 proces-verbaal opgemaakt.

1.3. Naar aanleiding van dit proces-verbaal en de daarop gebaseerde rapportage bijzonder onderzoek van eveneens 15 november 2006 heeft het College bij besluit van 12 december 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2006 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 12 december 2006 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 ingetrokken en de kosten van over die periode aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 15.601,56 bruto en daarnaast € 9.788,10 netto van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 12 december 2006 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante vanaf eind 2004 als prostituee werkzaamheden heeft verricht in ’[plaatsnaam b] en [plaatsnaam] en daaruit inkomsten heeft ontvangen, en daarvan geen mededeling heeft gedaan aan het College. Nu appellante geen administratie van haar werkzaamheden en inkomsten heeft bijgehouden, valt het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 niet vast te stellen. Het recht op bijstand vanaf 1 november 2006 is evenmin vast te stellen, omdat appellante, aldus het besluit, niet duidelijk heeft kunnen maken dat zij haar werkzaamheden heeft gestaakt, dat zij geen vermogen heeft boven het vrij te laten vermogen en hoe zij voorzien heeft in haar levensonderhoud na de staking van de uitbetaling van de bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ambtshalve oordelend overweegt de Raad als volgt. Appellante heeft in beroep het besluit van 16 april 2007 bestreden zowel wat betreft de intrekking en terugvordering over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 als de intrekking per 1 november 2006. In hoger beroep heeft appellante hiervan geen afstand genomen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ten aanzien van dit tweede deel van het besluit van 16 april 2007 in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet beoordeeld. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.2. De Raad zal de zaak met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zonder terugwijzing afdoen, omdat deze geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Hij overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd het volgende, waarbij voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.3. De Raad stelt vast dat het College de intrekking met ingang van 1 november 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier ook beoordeeld dient worden de periode van 1 november 2006 tot en met 12 december 2006.

4.4. Het besluit van 16 april 2007 tot handhaving van de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2006 en van de intrekking van bijstand met ingang van 1 november 2006 is een belastend besluit. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellante ten aanzien van de perioden in geding de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet de gehele periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen.

4.5. Ten aanzien van de vraag of het College geslaagd is te voldoen aan de op het College rustende bewijslast overweegt de Raad als volgt.

4.5.1. Tijdens het verhoor op 13 november 2006 heeft appellante tegenover de verbalisanten erkend dat zij een aantal keren in de prostitutie werkzaam is geweest als zij geld nodig had, onder meer om medicijnen voor haar zieke moeder te kunnen betalen. Appellante heeft verklaard dat zij in ’[plaatsnaam b] in de [adres] heeft gewerkt als prostituee. De laatste keer dat zij als prostituee werkte, was volgens haar verklaring in de zomer van 2006 in [plaatsnaam] en na de zomer nog drie keer een paar uur in ’[plaatsnaam b]. Voorts heeft appellante erkend dat zij eind 2004 één dag in ’[plaatsnaam b] en op 26 november 2005 in [plaatsnaam] op een boot aan [straatnaam] als prostituee heeft gewerkt en dat zij [de datum] 2006 op een boot aan [straatnaam] in [plaatsnaam] is gecontroleerd door ambtenaren van de belastingdienst en dat die haar hebben aangetroffen in, zo door hen genoemde, werkkleding. Verder blijkt uit de van de kamerverhuurbedrijven gevorderde gegevens dat appellante in juni en juli 2006 voor een week een kamer heeft gehuurd op een boot aan [straatnaam] te [plaatsnaam]. Op het document dat op de week in juli 2006 betrekking heeft, staat met de hand geschreven “09/08/06 einde huur”. Een getuige, de beheerster van een kamerverhuurbedrijf aan de [adres] in ’[plaatsnaam b] heeft verklaard dat appellante enkele weken daar heeft gewerkt, meestal in het weekend en dat zij daarna vertrokken is naar [plaatsnaam] en dat ze daar gezien is als prostituee. Hieromtrent heeft appellante in bezwaar erkend dat zij in het voorjaar van 2006 twee weekenden in de [adres] in ’[plaatsnaam b] en van 24 juni 2006 tot en met 9 augustus 2006 in [plaatsnaam] heeft gewerkt en aldaar voor zes weken een kamer aan [straatnaam] te [plaatsnaam] gehuurd heeft. Uit het verslag van de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting blijkt voorts dat appellante heeft verklaard dat zij ook in september 2006 nog werkzaamheden heeft verricht.

4.5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het College hiermee aannemelijk gemaakt dat appellante in de maand november 2005 en in de maanden juni tot en met september 2006 in [plaatsnaam] werkzaamheden heeft verricht als prostituee. Voorts acht de Raad uit de verklaringen van appellante en de getuige in samenhang met het vaststaande feit dat appellante in januari 2006 niet in Nederland verbleef aannemelijk dat appellante in de maand februari 2006 in ’[plaatsnaam b] werkzaamheden als prostituee heeft verricht. Voor de veel verder reikende conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2005 tot

12 december 2006 voortdurend werkzaam is geweest als prostituee is onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig. De enkele zinsrede uit het proces-verbaal: “Als ik geld nodig had, dan ging ik op zaterdag werken. Ik had heel vaak geld nodig.”, is daartoe ontoereikend.

4.5.3. Gelet op de daartoe strekkende verklaring van appellante heeft het College wel aannemelijk gemaakt dat appellante in de maanden waarin zij werkzaamheden heeft verricht inkomsten heeft ontvangen.

4.6. Nu vaststaat dat appellante het verrichten van deze werkzaamheden noch de daaruit ontvangen inkomsten over de in

4.5.2 genoemde perioden aan het College heeft gemeld, is gegeven dat appellante in zoverre de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellante geen administratie heeft bijgehouden van haar inkomsten en uitgaven in verband met deze werkzaamheden en ook niet gesteld heeft dat zij in de betrokken maanden minder netto inkomsten heeft ontvangen dat de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat nog een aanvullend recht op bijstand zou bestaan, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand over die maanden in te trekken, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.7. Hieruit volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kosten van bijstand over de in 4.5 genoemde maanden van appellante terug te vorderen. Het College voert het beleid dat alleen wordt afgezien van terugvordering, indien hiertoe een dringende reden aanwezig is, bestaande in de onaanvaardbare sociale of financiële consequenties van de terugvordering. Appellante heeft aangevoerd dat het College de terugvordering had moeten matigen in verband met haar persoonlijke omstandigheden en problemen en omdat er geen aanwijzingen zijn voor grootschalige fraude. Ze heeft erop gewezen dat zij de zorg heeft voor kleine kinderen en familie in het buitenland. De Raad is van oordeel dat het College terecht heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in dit beleid noch bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

4.8. Hieruit vloeit voort dat het besluit van 16 april 2007 in beroep standhoudt, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking over de maanden november 2005, februari 2006 en juni tot en met september 2006. Uit hetgeen in 4.5 is overwogen vloeit ook voort dat het besluit van 16 april 2007 voor de overige perioden berust op een niet deugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 16 april 2007 komt deswege in zoverre wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Nu niet aannemelijk is dat nader onderzoek kan leiden tot herstel van dit gebrek, is er aanleiding om de primaire besluiten van 12 december 2006 in zoverre te herroepen.

4.9. Nu het besluit van 16 april 2007 ten aanzien van de intrekking van bijstand niet geheel in stand kan blijven, is daarmee tevens gedeeltelijk de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen, zodat het besluit van 16 april 2007 ten aanzien van de terugvordering ook en wel geheel moet worden vernietigd. Het terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Het College zal ten aanzien van de terugvordering van de kosten van bijstand over de maanden november 2005, februari 2006 en juni tot en met september 2006 een nieuw besluit dienen te nemen.

4.10. De overige grieven van appellante behoeven geen bespreking meer.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 april 2007 voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over andere maanden dan november 2005, februari 2006 en juni tot en met september 2006;

Herroept de besluiten van 12 december 2006 in zoverre;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt ten aanzien van de terugvordering over de maanden november 2005, februari 2006 en juni tot en met september 2006 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IA