Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
08-4784 WWB + 08-4785 WWB + 08-4794 WWB + 08-4795 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant en appellante ontvingen tot 11 juli 2000 bijstand voor een alleenstaande, vanaf die datum ontvangen zij bijstand voor gehuwden. Het College heeft de bijstand ingetrokken m.i.v. 27 juni 2000 wegens schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad acht aannemelijk dat appellant van 27 juni 2000 t/m 11 augustus 2005 betrokken is geweest bij op geld waardeerbare bedrijfsmatige activiteiten. Geen toereikende grondslag voor intrekking vanaf 1 september 2005. De schending van de inlichtingenverplichting door appellant kan appellante niet worden tegengeworpen voor de periode 27 juni 2000 t/m 10 juli 2000. Belang bij beoordeling van de aanvraag van 14 februari 2007 vervalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4784 WWB

08/4785 WWB

08/4794 WWB

08/4795 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2008, 07/2874 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 07/2912 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van den Ende, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In het geding met registratienummers 08/4784 WWB en 08/4785 WWB

1.1.1. Appellant heeft tot en met 10 juli 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Appellante heeft tot en met die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen. Vanaf 11 juli 2000 ontvingen appellanten bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.1.2. Naar aanleiding van de ontmanteling van een hennepkwekerij op 11 augustus 2005 in een door appellant sinds 1 september 2000 gehuurd bedrijfspand aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: bedrijfspand [adres 1]) heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een bijzonder rechtmatigheidsonderzoek (BRO) ingesteld. In het kader van dat onderzoek is onder meer informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel Rotterdam (hierna: KvK) en is op basis van die informatie vastgesteld dat appellant sinds 27 juni 2000 in het handelsregister staat ingeschreven met een eenmanszaak genaamd [naam zaak]. In verband daarmee en met de huur van het bedrijfspand [adres 1] is voorts aan appellanten verzocht om tijdens een gesprek op 16 november 2006 onder meer boekhoudkundige gegevens van [naam zaak] vanaf 27 juni 2000, alle bankafschriften van alle bankrekeningen op naam van appellanten van 27 juni 2000 tot en met november 2006 en gegevens over de huurbetaling en het energieverbruik van het bedrijfspand [adres 1] te verstrekken. Vervolgens heeft het College bij besluit van 14 december 2006 het recht op bijstand van appellanten met ingang van 27 juni 2000 opgeschort, omdat het merendeel van de gevraagde gegevens niet was verstrekt, en appellanten in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 21 januari 2007 de ontbrekende gegevens in te leveren. Uit de rapportage van 25 januari 2007, waarin de bevindingen van het BRO zijn neergelegd, blijkt dat op die datum de boekhoudkundige gegevens van [naam zaak], de afschriften van de bankrekeningen van appellanten over de periode van 27 juni 2000 tot januari 2004 en huur- en energiegegevens van het bedrijfspand [adres 1] nog niet waren overgelegd.

1.1.3. Op grond van de bevindingen van het BRO heeft het College bij besluit van 26 januari 2007 de bijstand van appellanten met ingang van 27 juni 2000 ingetrokken en de over de periode van 27 juni 2000 tot en met 30 november 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 102.210,78 van hen teruggevorderd. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 26 januari 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de inschrijving van [naam zaak] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Rotterdam en van de huurovereenkomst van het bedrijfspand [adres 1] en dat als gevolg van die schending hun recht op bijstand over de periode vanaf 27 juni 2000 niet kan worden vastgesteld.

1.1.4. Vervolgens heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 3 augustus 2007. Uit deze rapportage komt onder meer naar voren dat in het verleden tweemaal in een door appellant - in 2000, respectievelijk 2001 - in Rotterdam gehuurd pand een hennepkwekerij is aangetroffen, dat appellant sinds 1 maart 2004 een bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaatsnaam]

(hierna: bedrijfspand [adres 2]) huurde voor € 1.061,55 per maand en dat op 11 augustus 2005 (lees: 22 juli 2005) ook in dit pand een hennepkwekerij is aangetroffen.

1.2. In het geding met registratienummers 08/4794 WWB en 08/4795 WWB

1.2.1. Op 14 februari 2007 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het College deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.2.2. Bij besluit van 23 juli 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 5 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 28 juni 2007 en 23 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de uitspraken van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering

4.1. De Raad stelt voorop dat het College de intrekking van de bijstand met ingang van 27 juni 2000 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat de periode van 27 juni 2000 tot en met 26 januari 2007 ter beoordeling voorligt.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant van 27 juni 2000 tot en met 15 augustus 2005 in het handelsregister van de KvK met een eenmanszaak genaamd [naam zaak] stond geregistreerd en dat appellant, handelend onder de naam [naam zaak], met ingang van 1 september 2000 het bedrijfspand [adres 1] heeft gehuurd van [naam B.V.] voor fl. 10.810,-- (€ 4.905,36) per jaar.

4.3. Gelet op deze gegevens, in hun onderlinge samenhang bezien, en voorts in aanmerking genomen dat appellant vanaf 1 maart 2004 ook het bedrijfspand [adres 2] huurde en dat niet alleen in beide door appellant gehuurde bedrijfspanden, maar ook eerder in twee door appellant gehuurde panden hennepkwekerijen zijn ontmanteld, is naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk dat appellant vanaf 27 juni 2000 betrokken was bij het verrichten van op geld waardeerbare bedrijfsmatige activiteiten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten geen controleerbare boekhoudkundige gegevens hebben overgelegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of, en zo ja, hoeveel inkomsten met die activiteiten zijn verworven. Als zodanige gegevens zijn in ieder geval niet te beschouwen de door appellanten zelf opgestelde en niet met enig stuk gestaafde jaarrekeningen waarnaar appellanten hebben verwezen ter onderbouwing van hun stelling dat [naam zaak] nooit actief is geweest en dus geen inkomsten heeft gegenereerd. Bovendien moet worden betwijfeld of deze jaarrekeningen, waarin alle bedragen op nihil zijn gesteld, feitelijk juist zijn, nu de op naam van [naam zaak] gedane huurbetalingen voor de bedrijfspanden [adres 1] en [adres 2] niet zijn verwerkt in de jaarcijfers. De door een medewerker van de klantendienst van de Belastingdienst Rijnmond opgestelde verklaring van 19 december 2006 dat appellant altijd als particulier in het systeem van de Belastingdienst heeft gestaan en nooit als ondernemer, wijst evenmin uit dat appellant via [naam zaak] geen inkomsten heeft verworven. Immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet valt uit te sluiten dat appellanten de Belastingdienst onjuist hebben geïnformeerd.

4.4. De beschikbare gegevens bieden daarentegen geen aanknopingspunten dat appellant na de ontmanteling van de hennepkwekerijen in de bedrijfspanden [adres 1] (op 11 augustus 2005) en [adres 2] (op 22 juli 2005) nog betrokken is geweest bij bedrijfsmatige activiteiten, waarmee inkomsten (kunnen) zijn verworven. In dit verband wijst de Raad erop dat volgens een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 7 maart 2007 [naam zaak] met ingang van 16 augustus 2005 is opgeheven en dat de kantonrechter te Rotterdam bij vonnis van 26 januari 2006 de huurovereenkomst tussen appellant en [naam B.V.] heeft ontbonden in verband met een (grote) huurachterstand. Ook overigens blijkt uit de beschikbare gegevens niet van enige betrokkenheid van appellant(en) bij bedrijfsmatige activiteiten na 11 augustus 2005. Evenmin valt uit die gegevens af te leiden dat appellanten na 11 augustus 2005 anderszins beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over een voor de bijstandsverlening relevante middelen. De enkele in dit verband door de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad naar voren gebrachte omstandigheid dat appellanten in de onderhavige zaak de bankafschriften van hun bankrekeningen over de periode van 27 juni 2000 tot januari 2004 niet hadden overgelegd, acht de Raad in dat verband onvoldoende.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat appellanten in de periode van 11 juli 2000 - de datum met ingang waarvan zij bijstand naar de norm voor gehuwden ontvingen - tot en met 11 augustus 2005 de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg van deze schending hun recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Derhalve was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten over genoemde periode in te trekken. Voorts is de Raad van oordeel, eveneens gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, dat appellant in de periode dat hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen (van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000) de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat daardoor zijn recht op bijstand over die periode ook niet kan worden vastgesteld. Derhalve was het College eveneens bevoegd om met toepassing van genoemde bepaling de bijstand van appellant over de periode 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000 in te trekken. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Aangezien het appellante niet kan worden aangerekend dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden in de periode waarin zij ieder afzonderlijk bijstand ontvingen, was het College, zoals van die zijde ter zitting van de Raad ook is erkend, niet bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000 in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 28 juni 2007 wegens strijd met artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB vernietigen, voor zover dit besluit ziet op intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en het (primaire) besluit van 26 januari 2007 in zoverre te herroepen.

4.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.4 en voorts in aanmerking genomen dat in de maand augustus 2005 sprake is geweest van, kort gezegd, oncontroleerbare inkomsten en dat ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB de bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld, is de Raad van oordeel dat er geen toereikende grondslag is voor de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode vanaf 1 september 2005. Derhalve berust het besluit van 28 juni 2007 in zoverre op een ondeugdelijke grondslag. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 28 juni 2007 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode vanaf 1 september 2005, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu niet aannemelijk is dat dit gebrek in bezwaar kan worden hersteld, zal de Raad voorts, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het (primaire) besluit van 26 januari 2007 ook in zoverre herroepen.

4.8. Met hetgeen is overwogen onder 4.5 is gegeven dat over de periode van 27 juni 2000 tot en met 31 augustus 2005 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode over te gaan. Voor de periode van 1 september 2005 tot en met 30 november 2006 is, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.7, niet aan die voorwaarden voldaan. Dit geldt eveneens voor de ten behoeve van appellant gemaakte kosten van bijstand in de periode van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000. Aangezien een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand, zal de Raad het besluit van 28 juni 2007, ook voor zover het ziet op de terugvordering van de kosten van bijstand van € 102.210,78, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het College zal derhalve met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

4.9. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad dat hij geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn terugvorderingsbeleid kan besluiten tot terugvordering van de volledige kosten van bijstand over de periode van 27 juni 2000 tot en met 31 augustus 2005. Van dringende redenen die volgens dat beleid aanleiding kunnen geven geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

5. De Raad komt in het geding met registratienummers 08/4794 WWB en 08/4795 WWB (de buiten behandelingstelling van de aanvraag) tot de volgende beoordeling.

5.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen, ontvalt het belang aan de beoordeling omtrent de besluitvorming inzake de aanvraag om bijstand van 14 februari 2007. Die aanvraag was een gevolg van het rechtens deels onjuist gebleken besluit van 26 januari 2007. Dit betekent dat het besluit van 23 juli 2007 een deugdelijke grondslag mist. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt ook uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 23 juli 2007 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voorts ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 5 april 2007 te herroepen.

6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en hoger beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.610,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juni 2007 gegrond;

Vernietigt dit besluit voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000, op de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode vanaf 1 september 2005 en op de terugvordering van de kosten van bijstand;

Herroept het besluit van 26 januari 2007, voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periodes van 27 juni 2000 tot en met 10 juli 2000 van appellante en vanaf 1 september 2005 van appellanten;

Bepaalt dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar inzake de terugvordering neemt.

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2007 gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Herroept het besluit van 5 april 2007.

Veroordeelt het College in de kosten van appellanten in de beide gedingen tot een bedrag van € 1610,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in de beide gedingen in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 292,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.