Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09-1739 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De geschetste werkwijze en registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de Raad zodanig dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de uitgevoerde controles hebben geleid tot daadwerkelijke verzending van de waarschuwingsbrieven en dat de door appellant overgelegde schermprint voldoende bewijs is van de feitelijke verzending van die brieven aan de daarop vermelde adressen. Dat betekent dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, aannemelijk is dat de verzending van de waarschuwingsbrieven naar de daarin vermelde adressen heeft plaatsgevonden. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat betrokkene in dit geval voldoende in de gelegenheid is gesteld de gebleken afwijking in de adressen ongedaan te maken. Nu zij dat heeft nagelaten en niet is gebleken dat haar van de afwijking geen verwijt te maken valt, is appellant terecht tot omzetting van de aan betrokkene toegekende beurs overgegaan. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/108
AB 2010/199 met annotatie van H.E. Bröring
NJB 2010, 980
JB 2010/144
USZ 2010/149 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1739 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2009, 08/685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak van de rechtbank aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan.

Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van deze wet treedt in dit geding appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens de IB-Groep verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Er is geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Voor appellant is verschenen mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar vader.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brieven van 15 september 2007 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat na controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan appellant heeft opgegeven ([adres 1] te [woonplaats]) afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven ([adres 2] te [woonplaats]). Daarbij is aangegeven dat indien betrokkene haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat indien het woonadres dat aan appellant is doorgegeven niet (meer) juist is, betrokkene het juiste adres alsnog binnen vier weken moet doorgeven. Betrokkene is in die brieven gewaarschuwd dat, indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Als adresseringen op de brieven zijn respectievelijk vermeld de [adres 3] te [naam gemeente] (het geregistreerde correspondentieadres, dat van de ouders van betrokkene) en de [adres 2] te [woonplaats].

1.2. Appellant heeft bij besluit van 16 november 2007 de aan betrokkene toegekende beurs met ingang van augustus 2007 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Appellant is daartoe overgegaan op de grond dat betrokkene heeft nagelaten de afwijking tussen het aan hem opgegeven woonadres en het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staat, ongedaan te maken.

1.3. Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 november 2007 bezwaar gemaakt. Zij heeft gesteld dat zij weliswaar heeft nagelaten een adreswijziging door te geven, maar in de gecontroleerde periode wel uitwonend is geweest. Zij heeft daarbij aangegeven de aan haar GBA-adres gerichte waarschuwingsbrief niet te hebben gelezen en niet te weten of die brief op dat adres wel door haar is ontvangen.

1.4. Appellant heeft het bezwaar bij besluit van 25 januari 2008 onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van betrokkene. Tevens is een beslissing gegeven over het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene overtuigend heeft beargumenteerd dat de waarschuwingsbrieven niet zijn ontvangen en dat appellant de verzending van de brieven niet heeft kunnen aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom worden aangenomen dat de brieven niet zijn verzonden. Betrokkene is daardoor niet naar behoren in de gelegenheid gesteld de afwijking tussen het GBA-adres en het opgegeven woonadres ongedaan te maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld het niet aannemelijk te achten dat geen van de waarschuwingsbrieven op het daarin vermelde adres is aangekomen. Voorts is erop gewezen dat betrokkene in haar bezwaarschrift primair heeft aangegeven de aan haar GBA-adres gerichte waarschuwingsbrief niet te hebben gelezen. Subsidiair heeft betrokkene, zo heeft appellant gesteld, aangegeven die brief niet te hebben ontvangen onder voorbehoud dit niet meer te weten. Eerst in beroep heeft betrokkene zich stelliger opgesteld. Appellant is, gelet op de uitspraak van de Raad van 9 juni 2006, LJN AX8837, daarom van mening dat niet aannemelijk is dat die brief niet door betrokkene is ontvangen.

Appellant heeft in hoger beroep ten bewijze van de verzending van de waarschuwingsbrieven aan betrokkene twee op de registratie in zijn computersysteem betrekking hebbende schermprinten overgelegd. Hij heeft met betrekking tot deze printen aangegeven dat op de ene print de adressen van betrokkene vermeld staan die op dat moment bij haar geregistreerd stonden (W = woonadres, G = GBA-adres en P = postadres) en dat op de andere print de waarschuwingsbrieven aan betrokkene vermeld zijn (C8 is de code voor de waarschuwingsbrief), met de daarbij behorende verwerkingsdata.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie CRvB 22 februari 2008, LJN BC5905), dient uitgangspunt te zijn dat de brief waarin de studerende wordt gewezen op een gebleken afwijking wordt gezonden naar het juiste adres van de studerende, dat wil – in dit verband – zeggen het op het moment van verzending bij de IB-Groep bekende adres en dat geldt voor zowel het door de studerende aan de IB-Groep opgegeven woonadres (of correspondentieadres) als het GBA-adres van de studerende. Omdat bij de IB-Groep niet bekend zal zijn welke van de beide adressen de werkelijke situatie juist weergeeft (aangenomen dat een van die beide adressen de werkelijke situatie juist weergeeft) en de IB-Groep er belang bij heeft te weten welk adres juist is, is het zaak de waarschuwingsbrief aan de beide adressen te zenden om de kans dat de waarschuwing de uitwonende studerende ook daadwerkelijk bereikt èn de kans dat die studerende binnen vier weken gebruik maakt van de geboden gelegenheid om de afwijking ongedaan te maken, zo groot mogelijk te maken.

4.3. In dit geval zijn de waarschuwingsbrieven geadresseerd aan het GBA-adres (waar betrokkene daadwerkelijk woonde) en het door betrokkene aan de IB-Groep opgegeven correspondentieadres. Daarmee is in beginsel voldaan aan de voorwaarden zoals die in overweging 4.2 zijn vermeld.

4.4. Betrokkene heeft gesteld dat de waarschuwingsbrief niet op het GBA-adres is ontvangen. Haar vader heeft de ontvangst van de brief op het correspondentieadres ontkend. Nu deze ontkenningen niet op voorhand zo ongeloofwaardig zijn dat daaraan voorbij moet worden gegaan – de Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 8 mei 2009, LJN BI4660 – zal moeten worden nagegaan of de verzending van de brieven aan de daarin vermelde adressen aannemelijk is. Pas als die verzending aannemelijk is, is er aanleiding de ontkenning van de ontvangst (nader) te beoordelen.

4.5. Appellant heeft, desgevraagd, ter zitting van de Raad – nogmaals en, met name op het punt van de verzending van de brieven, uitgebreider dan is weergegeven in de uitspraak van de Raad van 22 februari 2008, LJN BC5905 – uiteengezet op welke wijze de zogenoemde GBA-controle wordt uitgevoerd en hoe de aanmaak, verwerking en verzending van de waarschuwingsbrieven geregeld is. Daaruit is naar voren gekomen dat de controle volledig geautomatiseerd wordt uitgevoerd, dat geconstateerde afwijkingen automatisch leiden tot het aanmaken van brieven (waarvan de codes in het computersysteem terechtkomen) en dat ook de verwerking van deze brieven in de zogenoemde couverteerstraat – tot en met het moment van de aanbieding aan de postdienstverlener – geautomatiseerd is.

De geschetste werkwijze en registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de Raad zodanig dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de uitgevoerde controles hebben geleid tot daadwerkelijke verzending van de waarschuwingsbrieven en dat de door appellant overgelegde schermprint voldoende bewijs is van de feitelijke verzending van die brieven aan de daarop vermelde adressen. Dat betekent dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, aannemelijk is dat de verzending van de waarschuwingsbrieven naar de daarin vermelde adressen heeft plaatsgevonden.

4.6. Gelet hierop moet worden beoordeeld of de ontvangst van die brieven op die adressen op niet ongeloofwaardige wijze is ontkend en, indien de ontkenning niet ongeloofwaardig is, of het niet hebben ontvangen van die brieven (niettemin) voor risico van de betrokkene komt.

4.7. De door de vader van betrokkene geschetste omstandigheden rond de verwerking na ontvangst van de voor zijn kinderen bestemde post op zijn adres als hun correspondentieadres geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van zijn stelling dat de waarschuwingsbrief niet op het correspondentieadres is ontvangen.

Naar het oordeel van de Raad kan dat evenwel niet worden gezegd van de stelling van betrokkene dat de brief op het GBA-adres niet is aangekomen. In dit verband wijst de Raad – in navolging van appellant – op zijn uitspraak van 9 juni 2006, LJN AX8837. Betrokkene heeft immers in bezwaar aangegeven dat zij niet (meer) weet of die brief door haar is ontvangen. Daarmee is haar stellige ontkenning in de beroepsfase van de ontvangst van die brief voor de Raad niet geloofwaardig.

4.8. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat betrokkene in dit geval voldoende in de gelegenheid is gesteld de gebleken afwijking in de adressen ongedaan te maken. Nu zij dat heeft nagelaten en niet is gebleken dat haar van de afwijking geen verwijt te maken valt, is appellant terecht tot omzetting van de aan betrokkene toegekende beurs overgegaan.

4.9. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 25 januari 2008 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 januari 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel

(get.) A.E. van Rooij

KR