Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL5238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
09-4117 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering, omdat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid minder is dan 25%.

De bezwaarverzekeringsarts heeft betrokkene niet gevolgd in haar stelling dat het haar destijds aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbrak. Juistheid vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid voorgehouden geselecteerde functies.

Betrokkene heeft in beroep en in hoger beroep geen medische stukken in geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het door het Uwv ingenomen standpunt aangaande haar belastbaarheid. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4117 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2009, 08/298 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Appellante, geboren [in] 1979, heeft op 29 december 2006 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend en daarbij gesteld in verband met zware diabetes op of omstreeks 1 mei 1998 arbeidsongeschikt te zijn geworden.

3. Bij besluit van 20 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 18 december 2007 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd appellante ingaande 1 mei 1999 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder is dan 25%.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

5. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Appellante acht zich vanwege haar suikerziekte niet in staat enige arbeid te verrichten. De rechtbank heeft naar de mening van appellante ten onrechte haar verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen gepasseerd.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel. De verzekeringsarts heeft na spreekuurcontact en weging van medische informatie van behandelaars van appellante vastgesteld dat appellante rond de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en bij het einde van de wachttijd in haar belastbaarheid beperkt was in verband met diabetes mellitus type 2. De verzekeringsarts heeft appellante per 1 mei 1999 geschikt geacht voor fysiek niet extreem zware werkzaamheden gedurende een volledige werkweek, in regelmatige dagdiensten. De verzekeringsarts heeft ten aanzien van deze arbeid overwogen dat er voldoende pauze moet zijn om meerdere keren per dag te kunnen eten en drinken. Vanwege eventuele duizelingen is het appellante niet toegestaan te werken op gevaarlijke plaatsen of in verantwoordelijke taken. De bezwaarverzekeringsarts heeft na heroverweging in bezwaar geen argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat het haar destijds aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbrak. Naar zijn mening was op appellante geen van de situaties genoemd in de ‘Standaard geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ van toepassing. Ten tijde in geding waren er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen complicaties. De situatie was niet zo dat er regelmatig hypoglycemieen waren. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts middels de beperkingen genoemd in rubriek I van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen door spanningsklachten, waarmee appellante eveneens bekend was. Dit standpunt komt de Raad niet onjuist voor. De Raad is uit de medische stukken van de behandelend sector - voor zover relevant voor de datum in geding - niet gebleken van andere of zwaardere beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep geen medische stukken in geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het door het Uwv ingenomen standpunt aangaande haar belastbaarheid. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een deskundige te benoemen.

6.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in FML van 28 juni 2007 is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Het Uwv heeft bij notities functiebelasting van 10 juli 2007 en de rapportage van 18 december 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

6.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) J. Riphagen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM