Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
07-6423 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig onderzoek deskundige. De Raad acht zich overtuigd door de gemotiveerde reactie van de deskundige. Het volgen van de conclusies van de deskundige betekent dat de medische grondslag van de beëindiging per 8 januari 2006 van de WAO-uitkering aan appellant niet deugdelijk kan worden bevonden en dat appellants medische belastbaarheid opnieuw zal moeten worden vastgesteld om te kunnen beoordelen of, en alsdan in hoeverre alsook per welke datum, appellant nog restverdiencapaciteit heeft. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6423 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 oktober 2007, 06/8028 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

K. Abel, werkzaam bij Juricon Adviesgroep te Assen, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

De Raad heeft in de gedingstukken aanleiding gezien tot inschakeling als deskundige van prof. dr. E. Hoencamp, psychiater te Den Haag, die eind juni 2009 van zijn onderszoeksbevindingen rapport heeft uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door J.R. Beukema, kantoorgenoot van Abel. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 september 2006 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 3 november 2005 tot beëindiging per 8 januari 2006 van de per 3 maart 1992 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer aan appellant toegekende en sedertdien ononderbroken naar die mate voortgezette WAO-uitkering onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan belopen.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 7 september 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en beslist over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen.

2.2. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is niet onzorgvuldig en het verzekeringsgeneeskundige oordeel is niet onjuist te achten. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft is, voor zover bij de geduide functies sprake is van signaleringen, eerst in beroep toegelicht waarom geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid. Aangezien in verband daarmee het besluit op bezwaar niet met de vereiste deugdelijke motivering is voorbereid en genomen, dienen het beroep gegrond te worden verklaard en dat besluit te worden vernietigd. Er bestaat evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand te laten. Weliswaar kan appellant de derde van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet vervullen, maar vervanging van die functie door een van de beide als reserve geduide functies leidt niet tot wijziging van het zogenoemde mediane loon, zodat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% blijft.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in medisch opzicht meer en ernstiger is beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft hij ingebracht een van 26 maart 2008 daterend rapport van op zijn verzoek door W.H.J. Mutsaers, psychiater te Haren, ingesteld onderzoek aan de hand van de gedingstukken en een gesprek met hem op 18 januari 2008.

4.1. In met name het rapport van Mutsaers heeft de Raad aanleiding gezien om psychiater Hoencamp als deskundige in te schakelen. Deze heeft eind juni 2009 rapport uitgebracht van zijn bevindingen op basis van de gedingstukken, een gesprek met appellant op 9 april 2009 en bij zowel appellants huisarts als de appellant behandelende psychiater bij GGZ Delfland opgevraagde gegevens.

4.2. Hoencamp is gekomen tot de conclusie dat het psychiatrisch beeld veel ernstiger en veel meer omvattend is dan door het Uwv en de rechtbank is ingeschat, evenzeer wat betreft de daaruit voortvloeiende beperkingen vooral ten gevolge van niet gering cognitief verval op elk niveau en volstrekt onvermogen tot adequaat reageren op sociale relaties. Die situatie brengt met zich dat appellant op 8 januari 2006 niet in staat was te achten tot vervulling van enige van de drie door de rechtbank in aanmerking genomen functies, aldus Hoencamp.

4.3. Het rapport van Hoencamp heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gegeven tot een van 7 juli 2009 daterende kritische reactie. Onder erkenning dat het zeer wel mogelijk is dat de presentatie door appellant te maken heeft met het “obsessief” willen neerzetten van een bepaald beeld (met als mogelijk probleem dat dit een onderdeel van de psychopathologie is), heeft Hoencamp gemotiveerd aangegeven daarin evenwel geen reden te zien tot bijstelling van zijn conclusies.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad om in de regel het oordeel van een door hemzelf of een andere bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te volgen. De Raad beantwoordt de vraag of in het thans aanhangige geval aanleiding bestaat om van deze regel af te wijken, ontkennend. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

Het onderzoek door Hoencamp is uitgebreid en zorgvuldig geweest. Hij heeft appellant gezien en gehoord, kennis genomen van de voorhanden gedingstukken en daarnaast gebruik gemaakt van van appellants huisarts en de psychiater bij wie appellant sinds 25 november 2005 bij GGZ Delfland in behandeling is verkregen gegevens, alvorens conclusies te trekken. Die conclusies zijn naar behoren onderbouwd en liggen min of meer in lijn met de onderzoeksbevindingen van zenuwarts P.R. Walburgh Schmidt in maart 1994 en de GGZ Delfland-psychologen T. ’t Hoen en J. den Dekker-Mast in september 2006 en ook met die van Mutsaers. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv deelt de mening van Hoencamp niet en voelt zich daarin gesteund door appellants huisarts die op 15 april 2009 heeft geschreven dat appellants breedsprakigheid steeds is gericht op zijn eigen disfunctioneren, omdat hij erkend wil hebben dat dit disfunctioneren posttraumatisch (als gevolg van een hersenkneuzing) is. Hoencamp heeft het andere standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in ernst in overweging genomen, doch daarin gemotiveerd geen aanleiding gezien tot herziening van zijn antwoorden op de door de Raad aan hem gestelde vragen. De Raad acht zich overtuigd door de gemotiveerde reactie van Hoencamp.

5.3. Het volgen van de conclusies van Hoencamp betekent dat de medische grondslag van de beëindiging per 8 januari 2006 van de WAO-uitkering aan appellant niet deugdelijk kan worden bevonden en dat appellants medische belastbaarheid opnieuw zal moeten worden vastgesteld om te kunnen beoordelen of, en alsdan in hoeverre alsook per welke datum, appellant nog restverdiencapaciteit heeft.

6. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep. Bij gevolg dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover deze door appellant is aangevochten.

Voorts acht de Raad termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in appellants proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.808,94.

Dit bedrag bestaat uit € 644,-- voor de aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand en € 1.164,94 voor het door appellant ingebrachte rapport van psychiater Mutsaers. Bij het laatstgenoemde bedrag tekent de Raad aan dat Mutsaers weliswaar

€ 1.433,75 in rekening heeft gebracht, maar dat op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht daarvan niet meer dan € 83,21 per uur voor vergoeding in aanmerking kan komen; het gaat in dit geval om 14 uren.

Voorts merkt de Raad op dat appellant ter zitting van de Raad tevens vergoeding heeft gevraagd van het bedrag van € 44,-- dat voor de door revalidatiearts W. Nieuwstraten bij brief van 10 augustus 2007 (aan appellants huisarts) verstrekte inlichtingen in rekening is gebracht, maar kennelijk per abuis, omdat dit bedrag reeds is begrepen in de proceskostenveroordeling door de rechtbank.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen zowel in de aangevallen uitspraak als in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in appellants proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.808,94, welk bedrag door het Uwv aan appellant wordt betaald;

Bepaalt voorts dat het Uwv aan appellant het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

KR