Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
08-2256 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Verjaring: Met appellant is de Raad van oordeel dat de informatie die appellant heeft verstrekt met het op 6 januari 1998 door het Uwv ontvangen inlichtingenformulier (...) voor het Uwv voldoende duidelijk had kunnen en moeten zijn dat aan appellant onverschuldigd WAO-uitkering was verstrekt. Vanaf 7 januari 1998 had het Uwv een periode van vijf jaar om tot terugvordering over te gaan. Het besluit van 2 augustus 2006 is genomen nadat deze termijn was verstreken.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2256 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2008, 07/245, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Nuwenhoud, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Namens het Uwv verscheen mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep is gericht tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 12 december 2006 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij heeft het Uwv zijn besluit van 2 augustus 2006 tot terugvordering van een bedrag van € 16.899,97 aan onverschuldigd aan appellant betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 1998 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang – dat pas sedert de besluiten van het Uwv van 18 december 2003 en 22 december 2003, waarbij onder andere is vastgesteld dat de WAO-uitkering over het jaar 1997 niet wordt uitbetaald in verband met appellants inkomsten uit arbeid, er sprake is van onverschuldigde betaling, zodat de vordering van het Uwv op appellant niet is verjaard.

3.1. De Raad gaat uit van de navolgende feiten, die tussen partijen vaststaan.

3.2. Met een uitspraak van de rechtbank 29 mei 2007 (06/1946), waartegen appellant geen hoger beroep heeft ingesteld, is komen vast te staan dat het Uwv de inkomsten van appellant van fl. 9.029,- per maand in de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 1998 terecht volledig op de WAO-uitkering heeft gekort, zodat die uitkering gedurende het jaar 1997 niet tot uitbetaling komt.

3.3. Appellant heeft met een inlichtingenformulier, dat op 6 januari 1998 door het Uwv is ontvangen, opgave gedaan van zijn werkzaamheden in loondienst vanaf 1 januari 1996 tot de datum van invulling van het formulier en van inkomsten ten bedrage van fl. 9.083,- per maand. Met een inlichtingenformulier, dat bij het Uwv is ingekomen op 10 november 1998, heeft appellant meegedeeld dat zijn werkgever hem gedurende het gehele jaar 1997 een loon heeft betaald van fl. 9.029,- per maand.

3.4. De arbeidsdeskundige B.J. Tijmensma heeft appellant op 12 december 2001 gesproken. In zijn rapportage van 13 december 2001 heeft Tijmensma onder het kopje “voorgeschiedenis” onder andere vermeld: “Gelet op genoten inkomsten uit arbeid werd geadviseerd verzekerde ingaande 1 januari 1998 aanvankelijk minder dan 15% arbeidsongeschikt te beschouwen in het kader van de WAO; zie hieromtrent arbeidskundige rapportage algemeen van 17 november 1999. Dit werd niet geëffectueerd.”

3.5. Het besluit van 2 augustus 2006 is het eerste besluit waarin aan appellant wordt meegedeeld dat onverschuldigd WAO-uitkering is betaald, hoeveel uitkering onverschuldigd is betaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd.

4.1. Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen de afwijzing van zijn beroep op verjaring van de terugvordering. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 20 april 2001 (LJN AB1208) en een uitspraak van de Raad van 28 maart 2007 (LJN BA2284) heeft hij betoogd dat kan worden aangenomen dat het Uwv op 6 januari 1998 bekend was met de inkomsten op grond waarvan een terugvordering in de rede lag. Ten tijde van het besluit van 2 augustus 2006 was de vordering verjaard.

4.2. Het Uwv heeft het standpunt betrokken dat pas met de ontvangst van de brief van appellant van 18 december 2001, waarbij hij overeenkomstig de afspraak met de arbeidsdeskundige Tijmensma opgave deed van zijn belastbaar inkomen in de jaren 1996 tot en met 2000, bekend is geworden dat appellant inkomsten genoot die niet in overeenstemming waren met zijn WAO-uitkering. De verjaringstermijn is toen aangevangen, zodat de vordering op 2 augustus 2006 nog niet was verjaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt voor de verjaringstermijn van een terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering aangesloten bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Artikel 3:309 BW bepaalt dat de vordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar nadat de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de schuldenaar bekend is geworden. In zijn door appellant genoemde uitspraak van 28 maart 2007 heeft de Raad neergelegd dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering aanvangt op het moment dat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

5.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat de informatie die appellant heeft verstrekt met het op 6 januari 1998 door het Uwv ontvangen inlichtingenformulier, namelijk dat zijn bruto verdiensten fl. 9.083,- per maand bedroegen, voor het Uwv voldoende duidelijk had kunnen en moeten zijn dat aan appellant onverschuldigd WAO-uitkering was verstrekt. Dat betekent dat het Uwv vanaf 7 januari 1998 een periode van vijf jaar had om tot terugvordering over te gaan. Het besluit van 2 augustus 2006 is genomen nadat deze termijn was verstreken. De terugvordering van hetgeen aan appellant aan WAO-uitkering onverschuldigd werd betaald over het jaar 1997 is derhalve verjaard.

5.3. Dat het aan het Uwv al geruime tijd voor het gesprek van arbeidskundige Tijmensma met appellant in 2001 voldoende duidelijk was dat de inkomsten van appellant, die – naar het de Raad voorkomt – in het jaar 1997 niet in betekenende wijze afweken van de inkomsten van appellant in het jaar 1998, tot aanpassing van de WAO-uitkering moesten leiden, blijkt uit de rapportage van Tijmensma van 13 december 2001. De Raad volgt het Uwv niet in zijn opvatting dat het feit dat appellant in het gesprek met Tijmensma op 12 december 2001 heeft gesteld niet precies te weten wat zijn inkomsten in de voorgaande jaren zijn geweest, meebrengt dat de ontvangen inlichtingenformulieren eveneens onvoldoende duidelijk zijn geweest.

5.4. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor het bestreden besluit van 12 december 2006. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en ook het besluit van 2 augustus 2006 herroepen.

6. Appellant heeft zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet onderbouwd. Deze vordering wijst de Raad af.

7. De Raad ziet reden voor veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand stelt de Raad op een bedrag

van € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 december 2006;

Herroept het besluit van 2 augustus 2006;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, te voldoen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

EF