Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
08-4263 WTOS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tegemoetkoming in de studiekosten van dochter. Niet voldaan aan nationaliteitsvereiste. Volgens vaste rechtspraak (zie bijv. LJN BG1905, 24-10-2008) kan de hardheidsclausule er niet toe leiden dat afwijzing beroep op de hardheidsclausule is voldoende gemotiveerd. Toegang tot onderwijs is gewaarborgd door toekenning bijstandsuitkering aan dochter. Geen inbreuk op de bescherming van (artikel 28 van) het IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/109
BA 2010/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4263 WTOS

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 11 juli 2008, 07/1145 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan.

Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van deze wet treedt in dit geding appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens de IB-Groep verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat te Middelburg, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Voor appellant is verschenen mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft aan appellant verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de studiekosten van haar dochter [naam dochter betrokkene]. Appellant heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat betrokkene niet voldoet aan het in de artikelen 2.2 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en 2 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten neergelegde nationaliteitsvereiste. Appellant heeft voorts geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule. Betrokkene heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Appellant heeft de bezwaren bij besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 oktober 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens zijn beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat appellant bij de beoordeling van het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan de vraag of de toepassing van artikel 2.2 van de WTOS, gelet op het inkomen van betrokkene, tot gevolg heeft dat financiële bijstand noodzakelijk is om de dochter van betrokkene in staat te stellen om voortgezet onderwijs te volgen. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op, onder meer, het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding behoefde te zien voor toepassing van de hardheidsclausule nu het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat alleen aan aanvragers die aan het nationaliteitsvereiste voldoen een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de WTOS wordt verstrekt. Van (zeer) bijzondere omstandigheden is appellant niet gebleken. Hij meent dat het verzoek van betrokkene terecht is afgewezen en dat de afwijzing voldoende is gemotiveerd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor vernietiging van het besluit van 10 oktober 2007 geen plaats is. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 24 oktober 2008, LJN BG1905) dat, zoals ook in het besluit is weergegeven, de hardheidsclausule er niet toe kan leiden dat een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijke bepaling, indien toepassing van die bepaling in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

Appellant heeft – niettemin – de omstandigheden van betrokkene in ogenschouw genomen en in het besluit aangegeven dat in het geval van betrokkene geen sprake is van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

De afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule is, gegeven het hierboven weergegeven uitgangspunt bij de beoordeling door appellant, daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en tevens voldoende gemotiveerd.

4.3. De Raad is bovendien van oordeel dat geen sprake is geweest van een situatie dat de toegang tot het onderwijs door het ontbreken van financiële middelen niet gewaarborgd was. Hij wijst er in dit verband op dat in verweer is gesteld dat aan de dochter ten behoeve van wie de tegemoetkoming is aangevraagd zelf een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand is toegekend. Zij heeft feitelijk ook onderwijs gevolgd, althans kunnen volgen.

Nog afgezien van het feit dat het IVRK zich richt tot de overheid en betrokkene daarop niet rechtstreeks een beroep kan doen, stelt de Raad vast dat met de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in dit geval dan ook geen inbreuk is gemaakt op de bescherming die (artikel 28 van) het IVRK beoogt te bieden.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel

(get.) A.E. van Rooij

IvR