Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
08-7361 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WIA-uitkering: minder van 35% arbeidsongeschiktheid. De Raad twijfelt niet aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies ervan. Appellante voldoet niet aan de voorwaarde dat appellante is aangewezen op volledig voorgestructureerd werk; er is geen sprake van zeer ernstige psychische stoornissen of een belangrijke mate van verstandelijke handicap. De namens appellante overgelegde medische gegevens doen geen twijfel rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De arbeidskundige grondslag kan in stand blijven. De arbeidsdeskundige heeft mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar behoren gemotiveerd en nogmaals toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7361 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2008, 08/2402 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 13 maart 2009 is namens appellante een verklaring van huisarts Y. Baskaya van 16 december 2008 in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 september 2009 heeft het Uwv een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 25 augustus 2009 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst van 7 september 2009 aan de Raad doen toekomen.

Bij brief van 3 november 2009 is namens appellante een verklaring van GZ-psycholoog i.o., N. Hashemi van 2 september 2009, welke verklaring mede is ondertekend door C. Gengel, klinisch psycholoog-psychotherapeut, in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer, als haar raadsman en A. Kabaktepe, als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, die laatstelijk werkzaam was als steksteker, heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 13 januari 2004 ziek gemeld met psychische klachten en klachten van incontinentie. Aan haar is met ingang van 10 januari 2006 een WGA-uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.1. In het kader van een herbeoordeling heeft er op 30 juli 2007 een verzekeringsgeneeskundig en op 24 september 2007 een arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. In lijn met de uitkomsten van deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2007 de uitkering van appellante met ingang van 10 januari 2008 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 35% is.

1.2. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen voornoemd besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts op 18 januari 2008 een medische heroverweging verricht. Deze arts heeft aangegeven dat de verslaglegging van de primaire verzekeringsarts een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek laat zien. Voorts heeft hij aangegeven dat bestudering van alle beschikbare gegevens alsmede eigen onderzoek geen aanleiding geven de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in meer dan geringe mate te herzien. Met betrekking tot de uit psychische klachten voortvloeiende beperkingen is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat er op grond van de bij appellante vastgestelde angststoornis een extra beperking moet worden aangenomen ten aanzien van het verkeren in kleine afgesloten ruimtes. Vervolgens is de FML op 22 januari 2008 aangepast in die zin dat er onder item 2.12.6 een specifieke voorwaarde voor het vervullen van arbeid is aangenomen, namelijk het niet kunnen werken in kleine, afgesloten ruimtes. Vervolgens is de FML op 22 januari 2008 aangepast in die zin dat er onder item 2.12.6 een specifieke voorwaarde voor het vervullen van arbeid is toegevoegd, namelijk het niet kunnen werken in kleine, afgesloten ruimtes. Eveneens in het kader van de heroverweging, heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 18 februari 2008 de motivering van de door de arbeidsdeskundige geduide functies nader aangevuld en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige.

1.3. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard bij besluit van 20 februari 2008 (bestreden besluit).

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsartsen overwogen dat zij geen reden ziet om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of de bevindingen van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Daarbij heeft zij - kort gezegd - van belang geacht dat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat er bij het onderzoek forse afwijkingen, passend bij het klachtenpatroon, vergelijkbaar met het vorige onderzoek zijn geconstateerd. Voorts heeft zij de eerder gestelde beperkingen en voorwaarden ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, met uitzondering van de voorwaarde opgenomen onder item 1.9.1, inhoudende dat appellante is aangewezen op volledig voorgestructureerd werk, gehandhaafd. Verder overwoog de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts vanwege de angststoornis van appellante een extra beperking heeft aangenomen ten aanzien van verkeren in kleine afgesloten ruimtes. Met betrekking tot het niet langer aannemen van de destijds aangenomen beperking ten aanzien van item 1.9.1. heeft de rechtbank vooropgesteld dat een verzekeringsarts niet gebonden is aan een belastbaarheidsoordeel van twee jaar eerder. Voorts onderschreef de rechtbank de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de vervallen voorwaarde een forse beperking is die gereserveerd dient te blijven voor zeer ernstige psychische stoornissen of een belangrijke mate van verstandelijke handicap en dat daarvan gelet op de mate van zelfstandig handelen van appellante geen sprake is. De rechtbank is niet gebleken dat het Uwv de psychische en lichamelijke belastbaarheid van appellante heeft onderschat en zij acht de door appellante ingebrachte medische informatie van de huisarts, I-psy, de gynaecoloog en uroloog, voldoende erkend en meegenomen in de beoordeling. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen aanknopingspunten heeft om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een urenbeperking als omschreven in de Standaard verminderde arbeidsduur voor onjuist te houden.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de belastbaarheid van de geduide functies past binnen de aangepaste FML. Met betrekking tot de signaleringen is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige in samenhang met het rapport van de primaire arbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de geduide functies niet bestaan uit lopende band werk. Er is derhalve geen sprake van een dwingend werktempo, zodat de functies ook met de incontinentieproblematiek van appellante geschikt voor haar zijn te achten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet geconcludeerd kan worden dat appellante geen mogelijkheden heeft op de vrije arbeidsmarkt nu het Uwv voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de geduide functies geschikt zijn. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv appellante, gelet op haar kennis van de Nederlandse taal door het volgen van enkele jaren taalles en haar opleidingsniveau, voldoende gekwalificeerd heeft mogen beschouwen voor de geduide functies.

3. In hoger beroep zijn namens appellante de tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

4. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

4.1. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals deze zijn weergegeven in overweging 2.2, onderschrijft de Raad. Daarbij hecht de Raad er aan te benadrukken dat het niet langer aannemen van de onder item 1.9.1 opgenomen voorwaarde dat appellante is aangewezen op volledig voorgestructureerd werk, door de verzekeringsartsen niet enkel is gebaseerd op de overweging dat appellante in staat is tot zelfstandig handelen, zoals namens appellante is gesteld, maar dat, zoals ook ter zitting nogmaals door het Uwv is benadrukt, het er vooral om gaat dat deze beperking slechts wordt aangenomen in het geval van zeer ernstige psychische stoornissen of een belangrijke mate van verstandelijke handicap. Gelet op de in het dossier aanwezige medische stukken hebben de verzekeringsartsen zich naar het oordeel van Raad terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in het geval van appellante geen sprake is. Naar het oordeel van de Raad doen de in hoger beroep namens appellante overgelegde medische gegevens geen twijfel rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.

4.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluiten in stand kan blijven. De Raad onderschrijft de in overweging 2.3 weergegeven overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst hiernaar. Hij voegt daar nog aan toe dat de arbeidsdeskundige, alvorens het besluit van 25 september 2007 werd genomen, bij rapport van 24 september 2007 de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft toegelicht en mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar behoren heeft gemotiveerd. In bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 18 februari 2008 en in hoger beroep bij rapportage van 7 september 2009 het standpunt met betrekking tot deze functies nogmaals toegelicht. Het in hoger beroep overgelegde rapport van 7 september 2009 houdt in essentie een herhaling in van hetgeen in de evengenoemde rapporten is vermeld. Naar het oordeel van de Raad was daarin al voldoende gemotiveerd dat de functies de beperkingen van appellante niet te boven gaan.

4.2.1. Wat betreft de namens appellante ter zitting ingenomen stelling dat appellante, gelet op de onder 1.9. van de FML aangenomen beperkingen, niet in staat is arbeid op de vrije arbeidsmarkt te verrichten is de Raad van oordeel dat uit overweging 4.2 volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom de geduide functies passend zijn voor appellante en dat daarmee vaststaat dat appellante met inachtneming van de voor haar aangenomen beperkingen geacht wordt werkzaamheden op de vrije arbeidsmarkt te kunnen verrichten.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.2.1 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ