Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BL4576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
09-316 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Knieklachten. (verwacht) Ziekteverzuim. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Geen objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel kunnen doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/316 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 december 2008, 08/653 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.C.M. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 15 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. In verband met een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft op 6 september 2007 een verzekeringsgeneeskundig en op 18 oktober 2007 een arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 september 2006 herzien naar een mate van 80 tot 100% en per 1 maart 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% .

1.2. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 31 oktober 2007 gemaakte bezwaar, voor zover dit betreft de herziening per 1 maart 2007, heeft bezwaarverzekeringsarts J. Bruintjes de hoorzitting bijgewoond, dossierstudie verricht, de door appellant ingebrachte medische gegevens bestudeerd en appellant na de hoorzitting medisch onderzocht. In zijn rapport van 11 februari 2007 heeft hij uiteengezet waarom naar zijn inschatting de uit de knieaandoening van appellant voortvloeiende beperkingen in voldoende mate zijn neergelegd in de per 1 maart 2007 geldende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Daartoe heeft hij onder meer overwogen dat het voor het WAO-percentage in het geval van appellant niet uitmaakt of hij nu één of twee knieprotheses heeft omdat beperkingen als een onvermogen tot hurken en knielen al optreden bij ernstige problemen aan één knie en er in de functionele mogelijkhedenlijst van 13 augustus 2002 al dusdanig grote beperkingen werden aangegeven met betrekking tot de onderste bewegingsketen dat deze ook passen bij de aanzienlijke pijnproblematiek in beide knieën gegeven het hebben van een prothese beiderzijds. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, na correctie van het maatmanloon, geconcludeerd dat er op arbeidskundige gronden geen aanleiding is om tot een ander oordeel te komen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant dan de arbeidsdeskundige. Bij besluit van 27 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat niet is gebleken dat bij appellant sprake is van een situatie van Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook terecht een FML opgesteld. Gelet op de in het dossier aanwezig medische stukken bezien in samenhang met de overige gedingstukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding niet juist zou hebben vastgesteld. Evenmin is de rechtbank gebleken dat het Uwv ten aanzien van appellant niet alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn gezondheidtoestand in aanmerking zou hebben genomen. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Aan de stelling van appellant dat bij hervatting van werkzaamheden een extreem hoog ziekteverzuim is te verwachten is, gaat de rechtbank voorbij omdat appellant dit standpunt niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat van een mogelijke overschrijding ten aanzien van zitten in de functie van wikkelaar en administratief medewerker geen sprake is. Voorts acht de rechtbank de bij de geselecteerde functies geplaatste markeringen voldoende en adequaat gemotiveerd in de rapportage van de bezwaararbeidskundige.

3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling dat hij vanwege zijn lichamelijke klachten, met name zijn knieklachten, per de datum in geding, 1 maart 2007, meer beperkt is dan door het Uwv in de FML is aangenomen. Appellant stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van onzorgvuldig onderzoek. Voorts acht appellant zich niet geschikt de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te vervullen. Appellant verwacht een extreem hoog ziekteverzuim indien hij deze functies zou moeten uitoefenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de in overweging 2 samengevat weergegeven overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. In dit verband overweegt hij dat wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling vormt van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel kunnen doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de per 1 maart 2007 geldende FML. De door appellant overgelegde lijst met verzuimdata over de periode van 5 november 2002 tot en met 14 april 2008 kan, nog afgezien van het feit dat geen gegevens zijn overgelegd ter verifiëring van de vraag of deze data juist zijn en of het ziekteverzuim verband houdt met de klachten op de datum in geding, door de Raad niet als dusdanig worden aangemerkt. Wat betreft de door de gemachtigde van appellant bij brief van 7 december 2009 ingebrachte informatie van de neuroloog van 14 mei 2009 overweegt de Raad dat van de daarin besproken degeneratieve nekklachten eerst sprake is sinds december 2008, derhalve meer dan anderhalf jaar na de datum in geding.

4.2. Aldus ervan uitgaande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten, ziet de Raad evenmin als de rechtbank reden om de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voor appellante niet passend te achten. In aanmerking genomen de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 maart 2008, waarin in aanvulling op de arbeidskundige toelichting in de notities functiebelasting van 2 oktober 2007 de signaleringen nader zijn gemotiveerd, is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM